ECLI:NL:RBZWB:2026:1993

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
26/923
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 ParticipatiewetArt. 16 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bij afwijzing aanvraag bijstand wegens verblijf in buitenland voor onderwijs

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor algemene bijstand op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen is afgewezen vanwege verblijf in het buitenland langer dan vier weken per kalenderjaar.

De voorzieningenrechter heeft op 16 maart 2026 mondeling uitspraak gedaan en het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Verzoeker verblijft in verband met zijn opleiding vier dagen per week in het buitenland, maar pas na zeven weken overschrijdt hij de 28 dagen grens. Daarom heeft hij recht op volledige bijstand gedurende die eerste zeven weken.

Na deze periode heeft verzoeker recht op bijstand voor de dagen dat hij in Nederland verblijft, wat neerkomt op 3/7e van de bijstandsnorm. Voor de vakantieweken bestaat recht op volledige bijstand. De voorzieningenrechter bepaalt dat het college vanaf 1 januari 2026 een voorschot van €224,32 per maand moet verstrekken.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een uitzondering op grond van zeer dringende redenen. Het college wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en reiskosten. De uitspraak is bindend voor het voorlopige karakter en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het college moet een voorschot op bijstand verstrekken vanaf 1 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/923 PW VV
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om algemene bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen onder andere of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
Het college heeft de aanvraag van verzoeker met het besluit van 20 januari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en als gemachtigden van het college mr. I. Francke en [persoon] .
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. In artikel 13 van Pro de PW is bepaald dat iemand die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland geen recht heeft op bijstand.
4. Verzoeker heeft verzocht om een bijstandsuitkering vanaf zijn 18e verjaardag (op [datum] 2025). Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoeker meer dan 28 dagen per kalenderjaar in het buitenland verblijft. Het staat vast dat verzoeker in verband met zijn (school)opleiding tot 1 juli 2026 vier dagen per week in [plaats 2] verblijft, in een internaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker pas na zeven weken meer dan 28 dagen in het buitenland heeft verbleven. Hij heeft daarom de eerste zeven weken recht op een volledige bijstandsuitkering. Van andere uitsluitingsgronden is de voorzieningenrechter niet gebleken.
4.1.
Na die zeven weken heeft verzoeker in beginsel recht op een bijstandsuitkering voor de drie dagen per week die hij in Nederland verblijft. Het recht op bijstand stopt als hij naar [plaats 2] gaat en herleeft als hij weer in Nederland verblijft. Dit betekent dat verzoeker na het verstrijken van de zeven weken recht heeft op 3/7e deel van de bijstandsnorm. Voor de vakantieweken (drie weken in de periode in geding) bestaat wel recht op een volledige bijstandsuitkering.
4.2.
Voor de hoogte van de bijstand dient te worden aangesloten bij de jongerennorm voor een 18-jarige van € 345,99 per maand.
4.3.
Zoals ter zitting besproken en berekend leidt dit voor de periode van 1 januari 2026 tot 1 juli 2026 tot een gemiddelde van € 224,32 aan bijstandsuitkering per maand. De voorzieningenrechter zal, uit praktisch oogpunt, daarom bepalen dat het college dit bedrag bij wijze van voorschot met ingang van 1 januari 2026 aan verzoeker moet verstrekken.
4.4.
Verzoeker heeft ter zitting aangevoerd dat dit bedrag niet voldoende is. Een uitzondering op het uitsluiten van het recht op bijstand vanwege te lang verblijf in het buitenland kan gevonden worden in de zeer dringende redenen van artikel 16 van Pro de PW. Het uitgangspunt in de rechtspraak is dat er dan sprake moet zijn van een acute noodsituatie. De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat dit het geval is.

Conclusie en gevolgen

5. De afwijzing van de aanvraag kan naar verwachting in bezwaar geen standhouden. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe in die zin dat het college aan verzoeker bij wijze van voorschot met ingang van 1 januari 2026 bijstand moet verstrekken van € 224,32 per maand. Deze voorlopige voorziening geldt tot 1 juli 2026 of (als dat eerder is) tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast komen de reiskosten van € 31,32 voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • treft de voorlopige voorziening dat het college aan verzoeker bij wijze van voorschot met ingang van 1 januari 2026 bijstand verleent van € 224,32 per maand, tot 1 juli 2026 of (als dat eerder is) tot 2 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 31,32 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026 door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.