ECLI:NL:RBZWB:2026:197

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
438184 / HA ZA 25-206 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Sterk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:163 BWArt. 3:310 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering VvE wegens ontbreken onrechtmatig handelen Waterschap, gemeente en VOF

De VvE vordert een verklaring voor recht en schadevergoeding wegens gebreken aan de beschoeiing die volgens haar schade veroorzaken aan het perceel en de tuinen van appartementseigenaren. Zij stelt dat het Waterschap, de gemeente en de VOF onrechtmatig hebben gehandeld door onvoldoende onderhoud en beheer, waardoor gronduitspoeling en verzakkingen zijn ontstaan.

De rechtbank onderzoekt de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW Pro en stelt vast dat het Waterschap slechts onderhoudsplicht heeft voor de waterkering en waterhuishouding, niet voor het voorkomen van golfslag veroorzaakt door boten. De gemeente wordt niet verweten onrechtmatig te hebben gehandeld, ook niet als eigenaar van de jachthaven. De VOF kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het gedrag van schippers en het inrichten van de vaargeul is onvoldoende onderbouwd.

Omdat geen onrechtmatig handelen is vastgesteld, is niet voldaan aan de vereisten voor schadevergoeding. De vorderingen worden afgewezen en de VvE wordt veroordeeld in de proceskosten van alle gedaagden, met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. Het vonnis is gewezen door rechter Sterk en op 14 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de VvE af wegens ontbreken van onrechtmatig handelen door het Waterschap, de gemeente en de VOF.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/434184 / HA ZA 25-206
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
de vereniging
[de Vve],
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de VvE,
advocaat: mr. J.I. Jansen,
tegen
1. de publiekrechtelijke rechtspersoon
WATERSCHAP BRABANTSE DELTA,
gevestigd te Breda,
gedaagde partij,
hierna te noemen: het Waterschap,
advocaat: mr. R.M. Pieterse,
2.
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE STEENBERGEN,
gevestigd te Steenbergen ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. K. Meijering,
3.
de vennootschap onder firma
[V.O.F.],
kantoorhoudende te [plaats 2] ,
en haar vennoten:
4.
[eiser 1],
wonende te [plaats 1] ,
5.
[eiser 2],
wonende te [plaats 1] ,
6.
[eiser 3],
wonende te [plaats 1] ,
7.
[eiser 4],
wonende te [plaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna samen te noemen: de VOF,
advocaat: mr. K.K.M. Aerts-de Kok.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 25 juni 2025 en de daarin genoemde stukken,
– de producties 12 tot en met 19 van de VvE,
– de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, waarvan door de griffier
aantekeningen zijn gemaakt,
– de spreekaantekeningen van mr. J.I. Jansen namens de VvE, van mr. R.M. Pieterse
namens het waterschap, van mrs. K. Meijering en [persoon] namens de gemeente
en van mr. K.K.M. Aerts-de Kok namens de VOF, zoals deze zijn overgelegd en
voorgedragen op de mondelinge behandeling.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij notariële akte van 9 december 1999 is het stuk grond gelegen aan [kadastrale gegevens] (hierna: het perceel) gesplitst in vijftien appartementsrechten. Op datzelfde moment is de VvE opgericht.
2.2.
Het perceel grenst aan een A-watergang en wordt van deze watergang gescheiden door een beschoeiing (oeverbescherming) van houten palen. Het Hoogheemraadschap (de rechtsvoorganger van het Waterschap) heeft deze beschoeiing in 1985 laten plaatsen. De watergang is eigendom van de gemeente en maakt onderdeel uit van de [locatie] . Aan de overkant van het perceel ligt een jachthaven, die door de gemeente in erfpacht is uitgegeven aan de VOF.
2.3.
In 2000 is op het perceel het appartementengebouw ‘ [appartement] ’ gebouwd (hierna: het appartementengebouw). Als afsluiting van deze bouw heeft de (inmiddels failliete) vennootschap [bedrijf] op enige afstand van de beschoeiing een waterkering met L-profielen/keerwanden geplaatst. Tegen deze waterkering zijn tuinen/terrassen aangelegd ten behoeve van appartementseigenaren. Voor – onder meer – het aanleggen, hebben en onderhouden van de waterkering is bij besluit van 23 juli 1999 door het Hoogheemraadschap aan het aannemingsbedrijf een vergunning verleend.
2.4.
In de periode februari 2014 - juni 2019 is er tussen de VvE enerzijds en het Waterschap en/of de gemeente en/of de VOF anderzijds gecorrespondeerd over de problemen die de VvE stelt te hebben met de beschoeiing. Deze zou volgens de VvE gebreken vertonen en op kosten van het Waterschap en/of de gemeente en/of de VOF hersteld moeten worden. In het kader hiervan heeft tussen partijen in de periode juni 2019 - oktober 2023 een mediationtraject plaatsgevonden. Het mediationtraject heeft niet geleid tot eindovereenstemming tussen partijen.

3.Het geschil

3.1.
De VvE vordert, samengevat:
I. een verklaring voor recht dat het Waterschap, de gemeente en de VOF onrechtmatig hebben gehandeld tegenover de VvE en daarom tegenover de VvE schadeplichtig zijn,
II. een hoofdelijke veroordeling van het Waterschap, de gemeente en de VOF tot betaling aan de VvE van een bedrag van € 10.750,00 aan schadevergoeding en voor het overige nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Het Waterschap, de gemeente en de VOF voeren ieder afzonderlijk verweer tegen de tegen hen ingestelde vorderingen en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de VvE, althans tot afwijzing van de vorderingen van de VvE, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de VvE in kosten van deze procedure. Het Waterschap en de gemeente vorderen ook de wettelijke rente over de proceskosten.
3.3.
Nu de vordering van de VvE, gelet op de wijze waarop deze is geformuleerd, een vordering betreft van onbepaalde waarde, zal hierop door de handelsrechter worden beslist.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De VvE stelt dat haar leden door het onrechtmatig handelen van het Waterschap, de gemeente en de VOF schade hebben geleden. Boten varen (met de schroef) te dicht langs de oever van het perceel waarop het appartementengebouw staat. Door de golfslag die daardoor ontstaat, slaat het water door de kapot gevaren beschoeiing heen en spoelt de grond achter de beschoeiing uit. Door de gronduitspoeling verzakt ter plaatse de bodem en daarmee de waterkering en de daartegen gelegen tuinen/terrassen van appartementseigenaren. Herstel van de schade is nodig om verdere afkalving van de oever en daarmee schade aan het gemeenschappelijk eigendom van de leden van de VvE te voorkomen. De daarmee gemoeide kosten wil de VvE verhalen op het Waterschap, de gemeente en de VOF.
4.2.
De grondslag voor de vorderingen is artikel 6:162 BW Pro (onrechtmatige daad). Dit artikel kent vijf vereisten waaraan moet zijn voldaan voor het ontstaan van een verbintenis tot schadevergoeding: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen daad en schade en relativiteit. Laatstgenoemd vereiste, uitgewerkt in artikel 6:163 BW Pro, stelt nadere eisen aan een actie uit onrechtmatige daad. Zo bestaat geen verplichting tot schadevergoeding als de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
geen onrechtmatig handelen
4.3.
De VOF heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de tegen haar ingestelde vorderingen zijn verjaard op grond van artikel 3:310 BW Pro. De VvE stelt zich op het standpunt dat het beroep van de VOF op verjaring moet worden verworpen. De rechtbank is van oordeel dat het niet voor de hand ligt dat er sprake is van verjaring. Ter zitting is namens de VOF toegelicht dat ook de VOF betrokken was bij het mediation traject, dat tot 2024 tussen partijen heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet echter aanleiding om in dit vonnis niet nader in te gaan op het debat tussen de VOF en de VvE over de verjaring. Immers, zoals hierna zal worden toegelicht, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat de VOF onrechtmatig tegenover de VvE heeft gehandeld op grond waarvan zij schadeplichtig is tegenover de VvE. Dit geldt overigens ook voor het Waterschap en de gemeente. En betreft de kernvraag die partijen het meest verdeeld houdt. Het antwoord op de vraag naar de verjaring kan in deze zaak daarom in het midden blijven.
4.4.
De rechtbank stelt verder voorop dat het aan de VvE is om feiten en omstandigheden te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting (waarvan sprake is) te bewijzen, dat het Waterschap en/of de gemeente en/of de VOF onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig tegenover de VvE hebben gehandeld.
4.5.
In dit kader maakt de VvE het Waterschap, de gemeente en de VOF een aantal verwijten, die hierna achtereenvolgens aan de orde zullen komen.
het Waterschap
4.6.
De VvE stelt dat het Waterschap onrechtmatig heeft gehandeld door het niet dan wel onoordeelkundig onderhouden van de vaarroute. Daartoe voert de VvE aan, dat het Waterschap verantwoordelijk is voor onder meer het beheer van en het onderhoud aan waterwerken en dat het Waterschap vanuit die verantwoordelijkheid ervoor moet zorgen dat schade aan oevers, beplantingen en waterwerken, bijvoorbeeld door bewegingen van het water, wordt voorkomen.
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt het Waterschap terecht dat op grond van de wet- en regelgeving met betrekking tot de taken van het waterschap de onderhoudsplicht van het Waterschap niet verder reikt dan nodig is voor de instandhouding van de waterkering en het deugdelijk functioneren van de waterhuishouding. Dat door de gestelde gronduitspoeling en/of de verzakkingen de werking van de waterkering en/of de waterhuishouding wordt aangetast, is niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken. Dat het Waterschap een onderhoudsplicht c.q. zorgplicht niet is nagekomen door het niet in stand houden van een deugdelijke oever en/of beschoeiing en zodoende verwijtbaar tegenover de VvE heeft gehandeld, kan daarom niet worden aangenomen.
4.8.
Ter zitting lijkt de VvE zich ook op het standpunt te stellen dat het Waterschap inbreuk maakt op het eigendomsrecht van haar leden door niet, althans niet in voldoende mate te verhinderen dat boten (met hun schroef) te dicht langs de beschoeiing varen dan wel door de snelheid van de boten of hun tonnage niet te beperken. Daardoor ontstaat volgens de VvE golfslag, waardoor het water door de kapot gevaren beschoeiing heen slaat. Omdat het doek achter de beschoeiing kapot is, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van de VvE, spoelt de grond achter de beschoeiing uit naar het oppervlaktewater en ontstaan verzakkingen.
4.9.
De omstandigheid dat het Waterschap niet, althans niet in voldoende mate verhindert dat boten golfslag veroorzaken, waardoor volgens de VvE het water door de beschoeiing heen slaat en achter de beschoeiing de grond uitspoelt, levert naar het oordeel van de rechtbank geen onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht van de VvE op. Het verhinderen van het uitspoelen van grond behoort niet tot de taken van het Waterschap. Volgens de VvE spoelt de grond uit, omdat het doek achter de beschoeiing kapot is. Ter zitting is gebleken dat de beschoeiing sinds 2012 in gemeenschappelijk eigendom is van de leden van de VvE. Het is dan ook in beginsel aan de VvE om de beschoeiing zodanig te (laten) herstellen dat uitspoeling van de grond voorkomen wordt.
de gemeente
4.10.
De VvE heeft bij dagvaarding het standpunt ingenomen dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door het niet onderhouden van de oever/de beschoeiing. Ter zitting lijkt de VvE dat standpunt te hebben verlaten en stelt zij dat de fout van de gemeente is gelegen in het als eigenaar van de jachthaven niet aanzetten van de VOF als beheerder van de jachthaven tot het nemen van maatregelen die ertoe leiden dat het scheepvaartverkeer ordelijk verloopt. Als voorbeeld noemt de VvE het opleggen aan de VOF tot het (laten) aanbrengen van betere bewegwijzering en beter zichtbare nummering bij de ligplaatsen, het (laten) plaatsen van waarschuwingsborden op de steigers ter hoogte van de vaarweg bij het perceel van de VvE en het geven van instructies aan schippers om op een bepaalde afstand van de oever c.q. het perceel van de VvE te varen. Daartoe is de gemeente op grond van de maatschappelijke betamelijkheid tegenover de VvE verplicht, omdat het nalaten daarvan leidt tot schade aan de over/de beschoeiing, zo stelt de VvE.
4.11.
Uitgangspunt is dat iedereen zijn eigen schade moet dragen. In sommige gevallen kan de schade verhaald worden op een ander, maar dan moet sprake zijn van schuldaansprakelijkheid. De voorwaarden daarvan zijn geregeld in artikel 6:162 BW Pro. Er moet dan in ieder geval sprake zijn van een handelen of nalaten, waardoor op onwettige of onbehoorlijke wijze schade wordt toegebracht aan een ander. Dat door het gestelde nalaten van de gemeente schade is toegebracht aan de oever/de beschoeiing van de VvE, laat staan op een onwettige of onbehoorlijke wijze, is niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken. Dat de gemeente tegenover de VvE verwijtbaar en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, kan daarom niet worden aangenomen.
de VOF
4.12.
Volgens de VvE is de fout van de VOF gelegen in het door de VOF niet goed inrichten van de vaargeul en het niet goed begeleiden en niet juist instrueren van de aanmerende schippers ten aanzien van de juiste vaarroute. Daartoe heeft de VvE ter zitting aangevoerd, dat de VOF niet optreedt tegen de in strijd met de vergunningsvoorwaarden aanwezige vingersteigers, terwijl die steigers de vaargeul versmallen. Boten varen daardoor te dicht langs de oever/de beschoeiing met schade als gevolg. Daarnaast laat de VOF na schippers op een zodanige wijze te instrueren dat veel gedraai en het keren van grote boten in de smalle vaargeul wordt voorkomen. Door dit nalaten handelt de VOF, die bekend is met de problematiek bij het perceel van de VvE, onzorgvuldig tegenover de VvE en daarmee onrechtmatig.
4.13.
De rechtbank volgt de VOF in haar betoog dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gedrag van schippers. Bovendien blijkt uit de stukken (waaronder beeldmateriaal) onvoldoende dát de scheepvaart niet ordelijk zou varen. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat de vaargeul niet goed is ingericht én dat ook dit onder de verantwoordelijkheid van de VOF valt.
Het debat tussen de VvE en de VOF over de vraag welke gevolgen de aanwezigheid van de vingersteigers mogelijk heeft voor de oever/de beschoeiing ter plaatse van het perceel van de VvE en of de VvE dáárvoor verantwoordelijk is, kan daarom in het midden blijven. Van onrechtmatig handelen van de VOF tegenover de VvE is niet gebleken.
conclusie
4.14.
Nu niet is komen vast te staan dat onrechtmatig is gehandeld door het Waterschap en/of de gemeente en/of de VOF, is niet aan alle elementen van artikel 6:162 BW Pro voldaan. Daardoor kan geen verbintenis tot schadevergoeding ontstaan. De VvE heeft niet aan haar stelplicht voldaan. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. De vorderingen van de VvE kunnen daarom niet voor toewijzing in aanmerking komen en worden afgewezen.
4.15.
De VvE is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (nakosten) betalen. De proceskosten van het Waterschap, de gemeente en de VOF worden voor ieder van hen afzonderlijk begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punt × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.401,00
4.16.
De door het Waterschap en de gemeente verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt als niet weersproken toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.17.
De door het Waterschap, de gemeente en de VOF verzochte uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal als niet weersproken worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van de VvE af,
5.2.
veroordeelt de VvE in de proceskosten van het Waterschap van € 4.401,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de VvE niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt de VvE in de proceskosten van de gemeente van € 4.401,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de VvE niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt de VvE tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van het Waterschap en de gemeente als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de betreffende partij zijn betaald,
5.5.
veroordeelt de VvE in de proceskosten van de VOF van € 4.401,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de VvE niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Sterk en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.