ECLI:NL:RBZWB:2026:1962

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443221 / JE RK 25-2274
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens bedreiging sociaal-emotionele ontwikkeling kinderen door ouderconflicten

De zaak betreft een verzoek van Jeugdbescherming Brabant tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2013 en 2016, vanwege ernstige bedreiging van hun sociaal-emotionele ontwikkeling.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar zijn niet in staat om zonder escalaties te communiceren, wat de kinderen in een klempositie plaatst. Uit jeugdforensisch onderzoek blijkt dat de ouders zwak zijn in conflicthantering en reflectie. Diverse hulpverleningsinitiatieven hebben niet geleid tot verbetering. De kinderen functioneren in een overlevingsstand en ervaren spanning, wat hun ontwikkeling schaadt.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd geen gezagsbeëindiging aan te vragen, maar de ouders een laatste kans te geven om het ouderschapsplan te actualiseren en met hulpverlening te werken aan duurzame verandering. De vader stemt in met verlenging, maar uit kritiek op de uitvoering door de GI.

De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke voorwaarden voor verlenging zijn vervuld en acht verlenging noodzakelijk om de continuïteit van de zorg en hulpverlening te waarborgen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ondertoezichtstelling verlengd tot 21 februari 2027.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen met een jaar wegens voortdurende bedreiging van hun ontwikkeling door ouderconflicten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443221 / JE RK 25-2274
Datum uitspraak: 16 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De moeder is behoorlijk opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen.
1.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de gelegenheid gehad om hun mening over het verzoek te geven. Zij hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Sinds februari 2025 is sprake van een co-ouderschapsregeling tussen de ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 21 februari 2025 tot 21 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de jarenlange klempositie waarin zij zich bevinden nog steeds in hun sociaal-emotionele ontwikkeling worden bedreigd. Het lukt de ouders nog altijd niet om met elkaar te communiceren zonder escalaties. Uit het jeugdforensische diagnostiek onderzoek van Formaat van 11 juni 2024 is gebleken dat de conflicthantering en het reflectievermogen bij beide ouders zwak is te noemen. Formaat heeft de ouders geadviseerd om te gaan werken aan het reflecteren van hun eigen emotieregulatie-strategieën en het creëren van een opvoedingssituatie waarin de kinderen zo min mogelijk spanning tussen de ouders ervaren. De GI heeft hier binnen de ondertoezichtstelling veel op ingezet, zoals de schottenaanpak, de gezinsadvocaat en diverse hulpverleningspraktijken. Dit heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid. De ouders blijven elkaar namelijk opzoeken, benaderen en triggeren. Zij blijven op elkaar gefocust en kunnen elkaar niet loslaten. Op dit moment is er op papier sprake van ‘streng’ parallel solo ouderschap. Het lukt de ouders echter niet om hieraan vorm te geven; het lukt ze niet om hun kinderen op te voeden in afzonderlijke huishoudens met zo min mogelijk onderlinge communicatie en emotionele betrokkenheid bij elkaar. De kinderen hebben kindgesprekken (gehad) met hulpverleners en vertrouwenspersonen. Zij lijken een weg te hebben gevonden in hoe hun ouders met elkaar omgaan. De kinderen berusten erin dat het nooit gaat veranderen. Zij zijn mentaal iets sterker geworden en hun weerbaarheid is vergroot. Dit neemt niet weg dat de kinderen laten zien dat zij klem zitten tussen hun ouders; zij wegen hun woorden zorgvuldig af, verzwijgen dingen voor de andere ouder, voelen zich niet vrij om zich te identificeren met beide ouders en durven niet vrijuit te spreken over de ander ouder. Dat de kinderen “niet beter lijken te weten”, is wat de GI betreft een bedreiging van hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Zij leren niet van hun ouders hoe zij conflicten op een constructieve manier op moeten lossen, wat gevolgen heeft voor hun probleemoplossend vermogen en het aangaan van relaties. De kinderen lijken “in de overlevingsstand” te functioneren. De hulpverlener van de kindgesprekken van [minderjarige 2] ziet dat zij niet vooruit komt en al die jaren niet in staat is (geweest) de "oversteek" te maken naar de situatie waarbij haar ouders niet meer samen een gezin vormen. De GI is dan ook van mening dat de ouders misbruik maken van hun gezagspositie door continu en jarenlang de strijd met elkaar aan te gaan over beslissingen met betrekking tot de kinderen. Zij betrekken de andere ouder ook niet op een constructieve manier bij beslissingen en laten hun eigen belangen voorgaan op de behoeften van de kinderen. Het gevolg is dat de kinderen niet weten waar ze aan toe zijn en bijna dagelijks worden geconfronteerd met de praktische gevolgen van de voortdurende strijd tussen de ouders. De GI heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de ouders nog binnen een aanvaardbare termijn in staat zullen zijn de verzorging en opvoeding van de kinderen gezamenlijk te dragen. De zes jaar durende ondertoezichtstelling heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Er is ook geen verwachting dat nieuwe hulpverleningstrajecten met betrekking tot het vormgeven van gezamenlijk ouderschap verbetering zullen laten zien. Daarnaast wordt het risico dat de kinderen eerdaags zelf de zorgregeling gaan bepalen reëel geacht. De GI heeft daarom op 18 augustus 2025 de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad) verzocht een onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel voor beide ouders. De Raad is hiermee begin december 2025 gestart. Gelet hierop verzoekt de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar. De conclusies en adviezen van de Raad moeten worden afgewacht en worden ingebed in de situatie van de kinderen.
In aanvulling hierop is namens de GI tijdens de zitting aangevoerd dat de Raad inmiddels over het verzoek van de GI om een onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel heeft gerapporteerd. De Raad heeft in zijn rapport aangegeven dat de Raad op dit moment geen verzoek zal doen om een gezagsbeëindiging van één of beide ouders. De Raad wil hen nog een laatste kans geven om aan de onderlinge communicatie te werken en tot een duurzame verandering te komen. Daartoe hebben de ouders twee weken de tijd om het bestaande ouderschapsplan te actualiseren en uit te breiden. De daarbij benodigde hulpverlening zullen de ouders zelf moeten inschakelen. Wellicht kunnen de ouders hiervoor hun advocaten benaderen. Deze hulpverlening wordt ook niet door de gemeente gefinancierd. Vervolgens krijgen de ouders drie maanden de tijd om met hulpverlening de afspraken in het (geactualiseerde) ouderschapsplan te bestendigen. Deze hulpverlening wordt wel door de gemeente gefinancierd. De GI heeft [hulpverlening] gevraagd om deze hulpverlening aan de ouders te geven. [hulpverlening] kan over één maand hiermee beginnen. De zorg aan [minderjarige 1] van Inzet voor Zorg is afgesloten en heeft [minderjarige 1] goed gedaan. [minderjarige 2] heeft momenteel begeleiding van [begeleiding] . [begeleiding] zit inmiddels aan het plafond en komt in de hulpverlening bij [minderjarige 2] niet verder. Deze hulpverlening zit nu in de afrondende fase. De reden waarom er voor de kinderen bij twee verschillende instanties hulpverlening was ingezet, is omdat er bij [minderjarige 1] sprake was van behandelvragen, waarvoor Inzet voor Zorg geschikt was, en bij [minderjarige 2] sprake was van begeleidingsvragen, waarvoor [begeleiding] geschikt was. De GI zal bezien of er aan [minderjarige 2] nog een andere vorm van hulpverlening moet worden geboden. De GI handhaaft gezien het voorgaande haar verzoek om de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar te verlengen.
4.2.
De vader is het eens met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader heeft wel kritiek op hoe de GI de ondertoezichtstelling uitvoert. Hij is van mening dat door de handelswijze van de GI de ondertoezichtstelling al zes jaar duurt. De rode draad in de afgelopen jaren is namelijk dat één van de ouders, niet zijnde de vader, zich niet houdt aan de afspraken en de andere ouder niet informeert. De moeder wordt hierop onvoldoende door de GI aangesproken. Dit zorgt ervoor dat in plaats van de GI de vader controlerend bezig moet zijn. Hij houdt zich overigens wel altijd aan de afspraken en informeert zo nodig de moeder. De vader heeft ook hulp voor zichzelf ingezet. Hij heeft onder andere EMDR en traumaverwerking gehad. De vader vindt het nog wel moeilijk om dingen te accepteren die buiten zijn macht liggen. Verder gaat het goed met de kinderen als zij bij hem verblijven. [minderjarige 1] heeft door de situatie wel een leerachterstand opgelopen. Deze achterstand is niet meer weg te werken. De ouders hebben voor [minderjarige 1] vervolgonderwijs gevonden, waarover zij het eens lijken te zijn geworden. [minderjarige 2] doet het goed op school. Zij heeft wel iets aan de hulpverlening van [begeleiding] gehad, maar daar geen handvatten gekregen. [minderjarige 2] heeft dit wel nodig. De vader zou daarom graag zien dat voor [minderjarige 2] , net als bij [minderjarige 1] , Inzet voor Zorg wordt ingezet.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op basis van de stukken en de behandeling op de zitting is de kinderrechter van oordeel dat aan de gronden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderen worden, zelfs na zes jaar ondertoezichtstelling, nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zij verkeren al jaren in een zeer zorgelijke situatie, waarbij zij enorm klem zitten tussen beide ouders en in een overlevingstand verkeren. Dit is zeer schadelijk voor hun ontwikkeling. De kinderrechter vindt het schokkend dat het de ouders, die als eersten verantwoordelijk zijn voor het welzijn van hun kinderen, nog altijd niet lukt om de kinderen uit deze klempositie te halen. Ook voor de GI wordt het steeds ingewikkelder om dit te bereiken. Zij hebben daartoe al meerdere hulpverleningstrajecten voor de ouders ingezet. De kinderrechter gunt de kinderen graag een onbezorgde jeugd. Zij wil de ouders daarom (opnieuw) dringend verzoeken om alles op alles te zetten om de kinderen uit de klempositie te halen. Zij zullen daartoe met hulpverlening inzicht moeten krijgen in hun eigen functioneren en moeten leren hoe ze met de andere ouder moeten communiceren. De ouders zijn dit aan hun kinderen verplicht.
Op de zitting is gebleken dat de Raad over het verzoek om een onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel heeft gerapporteerd. De kinderrechter heeft begrepen dat de Raad nu (nog) niet overgaat tot een verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel van één of beide ouders, maar dat de Raad de ouders nog een kans wil geven om hun gezag te behouden. Zij zullen daartoe, in eigen beheer, het ouderschapsplan moeten actualiseren en uitbreiden. Vervolgens zullen zij met hulpverlening aan de slag moeten gaan om de afspraken in het ouderschapsplan te bestendigen. De GI heeft al een instantie gevonden waar de ouders voor deze hulpverlening terecht kunnen, te weten [hulpverlening] . De kinderrechter spreekt de hoop uit dat deze stappen helpend zullen zijn, niet alleen voor de ouders, maar bovenal voor de kinderen. Strakke regievoering vanuit de GI is hierbij nodig. Daarnaast zal de GI oog moeten blijven hebben voor de ontwikkeling van de kinderen en wat zij (nog) nodig hebben om met deze zorgelijke situatie om te gaan. Mocht de hulpverlening aan [minderjarige 2] vanuit [begeleiding] niet voldoende voor haar zijn, dan zal de GI op zoek moeten gaan naar een andere instantie, zoals bijvoorbeeld Inzet voor Zorg of [hulpverlening] waar ook de ouders hulpverlening zullen krijgen. Nu ouders niet met elkaar kunnen communiceren en elkaar blijven diskwalificeren is een overdracht naar het vrijwillige kader niet aan de orde.
5.4.
Gelet hierop vindt de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. Zij zal het verzoek van de GI dan ook toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar verlengen.
5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Het is in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dat de GI zonder onderbreking bij hen betrokken blijft.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 21 februari 2026 tot 21 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 27 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.