ECLI:NL:RBZWB:2026:1950

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/5632 en 24/5761
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.14 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging omgevingsvergunning gaswinning wegens onduidelijkheid bodemrisico

Het College van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en het College van Burgemeester en Wethouders van Loon op Zand hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die de Staatssecretaris heeft verleend voor gaswinning op de mijnbouwlocatie Sprang A.

De vergunning was onduidelijk over de eis of op alle onderdelen een verwaarloosbaar bodemrisico moest gelden. De Staatssecretaris had in het besluit gesteld dat voor enkele voorzieningen een aanvaardbaar bodemrisico volstond, maar dit was onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank oordeelt dat het uitgangspunt verwaarloosbaar bodemrisico is en dat de Staatssecretaris dit niet adequaat heeft onderbouwd.

De rechtbank vernietigt daarom de passages in het besluit waarin wordt gesteld dat een aanvaardbaar bodemrisico voldoende is voor bepaalde voorzieningen. De rechtbank treedt zelf in de plaats van het vernietigde deel met een nadere motivering dat alle voorzieningen moeten voldoen aan het verwaarloosbaar bodemrisico. Daarnaast is vastgesteld dat eisers procesbelang hebben en dat de Staatssecretaris het griffierecht aan hen moet vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en vernietigt gedeeltelijk het bestreden besluit vanwege onvoldoende onderbouwing van het bodemrisico.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/5632 en 24/5761

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaken tussen

1. het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabantuit
's-Hertogenbosch, (24/5632)
2. het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zanduit Kaatsheuvel, (24/5761)
en
de Staatssecretaris van Klimaat en Groene groei,voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, uit Den Haag (de Staatssecretaris).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Vermilion Energy Netherlands B.V. uit Harlingen (Vermilion)
(gemachtigde: mr. M. Israëls).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant (Gedeputeerde Staten) en het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand (Burgemeester en wethouders) (gezamenlijk: eisers) tegen het verlenen van een omgevingsvergunning voor een mijnbouwlocatie Sprang A aan de Eikendijk in de gemeente Loon op Zand.
1.1.
De Staatssecretaris heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 28 mei 2024 verleend. De Staatssecretaris heeft de aanvraag daartoe van 1 juni 2021 vanaf 23 juni 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegd in het kader van het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV) [1] . Dit houdt in dat tegen dit besluit direct beroep moest worden ingesteld. [2] Op 28 mei 2024 is de vergunning verzonden.
1.2.
De Staatssecretaris heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vermilion heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] en mr. D.A.B. Seip namens Gedeputeerde Staten, [persoon 2] namens Burgemeester en wethouders, [persoon 3] , [persoon 4] en mr. J.H. Keinemans namens de Staatssecretaris, en de gemachtigde van Vermilion.
1.4.
Op zitting is besproken dat partijen nog nader zullen ingaan op het bodemrisico. De rechtbank heeft van de Staatssecretaris een reactie ontvangen op 16 april 2025. Op 28 april 2025 heeft de rechtbank ook een reactie van Vermilion ontvangen. Ten slotte is op 26 mei 2025 een reactie, gedateerd 21 mei 2025, ontvangen van Gedeputeerde Staten en op 28 mei 2025 een reactie van Burgemeester en wethouders.
1.5.
De rechtbank heeft op 6 juni 2025 toestemming gevraagd om de zaak verder af te doen zonder zitting.
1.6.
Op 20 juni 2025 heeft Vermilion laten weten geen behoefte te hebben aan een nadere zitting en nog enkele slotopmerkingen geplaatst. Eveneens op 20 juni 2025 heeft de Staatssecretaris eenzelfde reactie gegeven. Van eisers is geen reactie ontvangen.
1.7.
De rechtbank heeft bij brief van 11 februari 2026 partijen medegedeeld dat het onderzoek ter zitting is gesloten.

Totstandkoming van het besluit

2. In 1994 is de gaswinningsput op de mijnbouwlocatie Sprang A, gelegen aan de Eikendijk in de gemeente Loon op Zand, geboord. De ten tijde van de aanvraag geldende vergunningen zijn een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer van 26 maart 2002 en een vergunning voor het plaatsen van een corrosie-inhibitor skid als milieuneutrale wijziging op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van 11 juni 2020.
2.1.
Op 10 maart 2021 is door de Staatssecretaris van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid voor dit project een vergunning afgegeven op grond van de Wet Natuurbeheer.
2.2.
Op 1 juni 2021 heeft Vermilion een geactualiseerd winningsplan ingediend. Dit plan is gewijzigd op 21 maart 2022. Hierin wordt de hoeveelheid op te pompen gas verhoogd en de duur van de gaswinning verlengd. Op 22 juni 2022 heeft de staatsecretaris ingestemd met dit plan. De bezwaren van onder andere eisers heeft de staatssecretaris op 6 juli 2023 ongegrond verklaard, waarmee de instemming in stand is gebleven. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.
2.3.
Op 28 juli 2021 heeft Vermilion een aanvraag ingediend voor een nieuwe omgevingsvergunning voor het verhogen van de productie van aardgas op de mijnbouwlocatie Sprang A.
2.4.
In november 2021 heeft de Staatssecretaris adviezen van het Staatstoezicht op de Mijnen, van eisers en het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk ontvangen. Op 4 maart 2022 heeft Vermilion de aanvraag ingetrokken voor zover betrekking hebbend op het sidetrack boren en het verhogen van de vergunde op te pompen hoeveelheid gas en productiewater.
2.5.
Op 22 juni 2022 is het ontwerpbesluit bekend gemaakt. Het ontwerpbesluit heeft van 23 juni 2022 tot en met 4 augustus 2022 ter inzage gelegen. Eisers en anderen hebben zienswijzen ingediend. Op 28 mei 2024 is de omgevingsvergunning verleend (bestreden besluit).

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de (voorganger van de) Staatssecretaris op goede gronden de vergunning heeft verleend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Wettelijk kader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning in deze zaak is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inhoudelijke beoordeling
Procesbelang
5. De Staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers geen procesbelang hebben bij het voeren van deze beroepsprocedure. Vermilion heeft afgezien van de uitbreiding van de activiteiten. Het bestreden besluit is uitsluitend een revisievergunning voor activiteiten die al plaatsvonden en vergund waren. Dat houdt in dat de voorschriften zijn geactualiseerd en strenger zijn geworden. Bij vernietiging van deze revisievergunning wordt teruggevallen op de onherroepelijke vergunningen uit 2002 en 2020. De activiteiten waartegen eisers zich verzetten mag Vermilion dan uit blijven voeren, maar dan onder minder strenge voorschriften.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers procesbelang hebben. Eisers hebben er belang bij dat de gaswinning, die plaatsvindt op het grondgebied van de gemeenten waarvan zij bestuurder zijn, onder zo veilig mogelijke omstandigheden gebeurt en dat daartoe geschikte voorwaarden worden verbonden aan de nieuwe vergunning. Daar mogen eisers voor opkomen vanuit de publieke belangen die aan hen zijn toevertrouwd. Door en met deze procedure kunnen eisers naar het oordeel van de rechtbank ook bereiken dat er verduidelijking komt over het niveau van bodembescherming, waaraan Vermilion op deze locatie op grond van het bestreden besluit moet voldoen.
Toetsingskader
6. De Staatssecretaris heeft de vergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo. Artikel 2.14 van de Wabo bepaalt welke afwegingsgronden de staatsecretaris moet betrekken bij zijn besluit om al dan niet een vergunning te verlenen. De omgevingsvergunning kan, voor zover het de aanvraag op grond van artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wabo betreft, slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. In het eerste lid, aanhef en onder c, onder 1°, van artikel 2.14 van de Wabo is bepaald dat het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht moet nemen dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.
Toezending van het bestreden besluit
7. Burgemeester en wethouders stellen dat hun zienswijze ten onrechte niet bij de besluitvorming is betrokken. Gedeputeerde Staten klagen dat ze geen afschrift hebben ontvangen van het bestreden besluit, terwijl ze wel een zienswijze hadden ingediend.
7.1.
De Staatssecretaris erkent dat er een fout is gemaakt bij de overgang naar een nieuw digitaal zaaksysteem, waardoor de zienswijze van Burgemeester en wethouders niet specifiek is behandeld in het bestreden besluit.
7.2.
Burgemeester en wethouders hebben op 25 juli 2022 een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit. De rechtbank stelt vast dat deze niet expliciet is meegenomen in het bestreden besluit. De rechtbank stelt verder vast dat de zienswijze inhoudelijk overeenkomt met zienswijzen die zijn ingediend door andere organisaties. Dit betekent dat de door Burgemeester en wethouders ingebrachte argumenten inhoudelijk wel zijn beoordeeld. In die zin zijn Burgemeester en wethouders dus niet benadeeld.
7.3.
De rechtbank stelt vast het bestreden besluit niet is toegezonden aan Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten hebben echter wel tijdig beroep ingesteld. De rechtbank stelt vast dat Gedeputeerde Staten als gevolg van het verzuim niet in hun belangen geschaad.
Staat voldoende vast dat er geen Zeer Zorgwekkende Stoffen aanwezig zijn of gebruikt worden?
8. Gedeputeerde Staten stellen zich op het standpunt dat de aanvraag geen volledig overzicht bevat van stoffen die op de locatie bedrijfsmatig worden gebruikt en opgeslagen. Er kunnen daarom Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) aanwezig zijn die niet zijn toegestaan in een grondwaterbeschermingsgebied. Gedeputeerde Staten vermoeden dat er benzeen aanwezig is. Ook is onduidelijk wat de samenstelling is van de corrosie-inhibitor, zodat dit mogelijk ook een ZZS is of bevat.
8.1.
De Staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de stoffen corrosieremmers en methanol al op 26 maart 2002 is vergund. Op 1 juni 2020 is een vergunning verleend voor het plaatsen van een corrosie-inhibitor skid. De werkzame stof wordt in de leiding naar afscheiders gebracht om beschadiging te voorkomen. De opslag dient zodanig te gebeuren dat een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. [3] Andere mogelijk bodemverontreinigende stoffen zijn productiewater, hydraulische oliën en mogelijk verontreinigd regenwater.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De Staatssecretaris heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het bestreden besluit het aantal stoffen, en met name de ZZS die aanwezig mogen zijn, niet uitbreidt. Voor zover de corrosie-inhibitor skid al ZZS bevat, moeten deze opgeslagen worden volgens de eisen voor een verwaarloosbaar bodemrisico. Eisers hebben niet onderbouwd dat er andere ZZS aanwezig zullen zijn dan die al vergund waren en hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze een groter dan verwaarloosbaar risico met zich meebrengen.
Is sprake van een voldoende beschermingsniveau met betrekking tot grondwaterbedreigende activiteiten?
9. De rechtbank stelt vast dat de Staatssecretaris bij het opleggen van voorschriften in hoofdstuk 3 van het bestreden besluit is uitgegaan van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012 (NRB). De NRB geeft voor bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten een beschrijving van geschikte bodembeschermende voorzieningen en maatregelen gebaseerd op de beste beschikbare techniek (BBT). Combinaties van voorzieningen en maatregelen hebben tot doel in situaties, waarbij sprake is van een bodemrisico, een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren voor de duur van de bedrijfsmatige activiteit. Onder het begrip verwaarloosbaar bodemrisico moet volgens Deel 2 hoofdstuk 3 van de NRB worden verstaan: “
Een situatie waarbij door een combinatie van voorzieningen en maatregelen het ontstaan of de toename van verontreiniging van de bodem gemeten tussen nul- en eindsituatieonderzoek zo veel mogelijk wordt voorkomen en waarbij herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk is.”
9.1.
In Deel 2 onder 3.1. van de NRB staat het volgende: “In bestaande situaties bestaat - als aanvullende maatregelen en voorzieningen niet redelijk lijken - soms de mogelijkheid om voor een bepaald bedrijfsonderdeel een bewuste afweging te maken tussen verwaarloosbaar of aanvaardbaar bodemrisico. In die gevallen mag het bodemrisico aanvaardbaar worden gemaakt met een doelmatig monitoringssysteem volgens een plan van aanpak (…). De afweging tussen een verwaarloosbaar- of aanvaardbaar bodemrisico is in belangrijke mate kostentechnisch van aard en de haalbaarheid van verwaarloosbaar bodemrisico is van veel randvoorwaarden afhankelijk. In het algemeen geldt dat het bodemrisico van bedrijfsactiviteiten verwaarloosbaar moet zijn. Pas als de mogelijke onredelijkheid van verwaarloosbaar bodemrisico naar het oordeel van het bevoegd gezag afdoende is aangetoond, kan de haalbaarheid van aanvaardbaar bodemrisico worden afgewogen. Daarbij is de keuze tussen verwaarloosbaar en aanvaardbaar bodemrisico geen bedrijfseconomische afweging naar de kostentechnisch gunstigste cvm [4] . De verhouding in kosten tussen duurdere voorzieningen, inbegrepen de beoogde doorlooptijd van de betreffende activiteit en die voor monitoring met zekerstelling voor bodemherstel, spelen in de afweging tussen verwaarloosbaar en aanvaardbaar bodemrisico een rol. Daarbij zijn de mogelijkheid om effectief te kunnen monitoren, in combinatie met de verwachte effectiviteit van eventueel bodemherstel, bepalende factoren bij deze afweging.”
9.2.
Tussen partijen is niet geschil dat de NRB de BBT bevat op het gebied van bodembescherming.
9.3.
Gedeputeerde Staten stellen dat onvoldoende en op onjuiste gronden is gemotiveerd door de Staatssecretaris dat de bodembeschermende maatregelen voldoen aan de NRB. Het is weliswaar soms toegestaan een aanvaardbaar risico te realiseren, maar daarvoor moet het stappenplan uit deel 3 Bijlage 3 van de NRB worden gevolgd. Van de locaties 001A, 002B, 003A, 007B, 008A, 009 en 012A zijn de voorzieningen en maatregelen onvoldoende om een verwaarloosbaar risico te realiseren. Volgens het stappenplan moet worden bepaald op welke wijze dat alsnog kan worden gerealiseerd. Dat is niet gebeurd, waardoor niet te bepalen is of realisatie van een verwaarloosbaar risico niet redelijk is. Niet onderbouwd is dat het realiseren van een verwaarloosbaar risico niet mogelijk is of tegen onaanvaardbare kosten.
9.4.
De Staatssecretaris heeft aangevoerd dat door het bestreden besluit voldaan moet worden aan de BBT in de vorm van bodembeschermende maatregelen en voorzieningen, zoals opgenomen in de NRB. Op grond van paragraaf 3.1 van de NRB geldt voor bestaande situaties zoals deze dat soms een aanvaardbaar risico toegestaan kan worden in plaats van een verwaarloosbaar risico. De Staatssecretaris stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat voor zeven punten geldt dat volgens het bodemrisico-document het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico redelijkerwijs niet haalbaar is. Het betreft:
Opslaan van mogelijk verontreinigd hemelwater in de putkelder.
Opslaan mogelijk verontreinigd hemelwater in kerende voorziening met opstaande rand (bund).
Opslaan productiewater in 120 m3 bovengrondse stalen, enkelwandige tank T-01.
Opslaan van vloeistoffen in vent kelder V-03.
Opslag mogelijk verontreinigd hemelwater in sump T-02;
Afvoeren van mogelijk verontreinigd hemelwater van vloeistofkerende voorzieningen middels ondergronds leidingwerk naar sump T-02.
Opslaan van mogelijk verontreinigd hemelwater vanaf verharding bij gesloten afvoer van de hemelwaterput (bij werkzaamheden op locatie).
9.5.
De Staatssecretaris heeft in beroep aangevoerd dat voor zes van deze punten geldt dat het gaat om vloeistofdicht geconstrueerde voorzieningen. Aan de technische vereisten is dus wel voldaan, maar de verklaring vloeistofdicht ontbreekt. De voorzieningen zullen worden gekeurd en er zal binnen een cyclus van zes jaar alsnog een verklaring worden afgegeven zodat alsnog voldaan wordt aan verwaarloosbaar bodemrisico. Voor de putkelder onder punt 1 geldt dat deze inmiddels is gekeurd en dat hiervoor een verklaring vloeistofdicht is verkregen. Daarmee is op die plaatsen inmiddels voldaan aan de eisen van een verwaarloosbaar bodemrisico. Het gaat hier volgens de Staatssecretaris om een administratief probleem en geen technisch probleem. Voor het ondergronds leidingwerk naar de drain pit 009/sump T-02 onder 6 geldt dat hier ook op lange termijn een aanvaardbaar risico in plaats van een verwaarloosbaar risico voldoende wordt geacht.
9.6.
De rechtbank stelt vast dat de Staatssecretaris in het bestreden besluit heeft overwogen dat uit de bij de aanvraag gevoegde bodemrisico-analyse blijkt dat voor een aantal voorzieningen niet voldaan wordt aan het verwaarloosbaar bodemrisico, maar wel aan het aanvaardbaar bodemrisico. In beroep is betoogd en met documenten onderbouwd, zowel door de Staatssecretaris als door Vermilion, dat de bodembedreigende voorzieningen wel aan het verwaarloosbaar bodemrisico voldoen, en daarmee ook in materieel opzicht aan voorschrift 2.1.1 van het bestreden besluit.
9.7.
In hoofdstuk 2 van bijlage 1 bij het bestreden besluit zijn de voorschriften opgenomen die zien op het onderwerp bodem. In artikel 2.1.1 is voorgeschreven dat de activiteiten en voorzieningen moeten voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico, zoals gedefinieerd in de NRB. Artikel 2.4 van de voorschriften betreft het Plan van aanpak aanvaardbaar bodemrisico. Dit voorschrift bevat bepalingen die zien op een monitoringsysteem. Monitoring moet volgens voorschrift 2.4.1 plaatsvinden overeenkomstig het in de aanvraag beschreven plan van aanpak aanvaardbaar bodemrisico.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit voorschrift 2.1.1 dat álle voorzieningen die betrekking hebben op bodem moeten voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico. In het voorschrift zelf zijn hierop geen uitzonderingen gemaakt. Op pagina 17 van het bestreden besluit wordt ingegaan op het aspect bodem. De Staatssecretaris heeft overwogen dat uit de bij de aanvraag gevoegde bodemrisico-analyse blijkt dat niet voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald. Uit de afwegingen zou kunnen worden afgeleid dat de Staatssecretaris van mening is dat het eisen van een verwaarloosbaar bodemrisico op punten onredelijk is en dus niet geëist kan worden.
9.8.
De NRB biedt de mogelijkheid om in geval van bodembedreigende activiteiten in bestaande situaties het beschermingsniveau van een aanvaardbaar risico in plaats van een verwaarloosbaar risico toe te staan. Dat kan pas als de mogelijke onredelijkheid van verwaarloosbaar bodemrisico naar het oordeel van het bevoegd gezag afdoende is aangetoond. De rechtbank constateert dat de Staatssecretaris in de onderbouwing van het bestreden besluit op pagina 17 en 18 er weliswaar van uit lijkt te gaan dat het onredelijk is om in dit geval van het niveau van een verwaarloosbaar bodemrisico uit te gaan, maar dit niet als zodanig onderbouwd heeft. In zoverre kent het bestreden besluit een motiveringsgebrek.
9.9.
De rechtbank begrijpt het standpunt in beroep aldus dat de Staatssecretaris, anders dan op pagina 17 en 18 van het bestreden besluit heeft overwogen, zich op het standpunt stelt dat op al de genoemde voorzieningen voorschrift 2.1.1 van toepassing is en dus is voorgeschreven dat moet worden voldaan aan een verwaarloosbaar bodemrisico. Naar de rechtbank begrijpt, stelt de Staatssecretaris zich daarmee in beroep ook op het standpunt dat niet hoeft te worden gemotiveerd waarom het eisen van een verwaarloosbaar niveau in dit geval onredelijk is. Dit wordt bevestigd doordat op zitting en in de op verzoek van de rechtbank na de zitting ingediende stukken door de Staatssecretaris en Vermilion is betoogd dat de op pagina 17 genoemde voorzieningen wel vloeistofdicht gerealiseerd zijn. Daarmee stelt de Staatssecretaris zich op het standpunt dat voor wat betreft het beschermingsniveau van de bodembedreigende activiteiten al wel voldaan wordt aan voorschrift 2.1.1 van het bestreden besluit. Voor zover de voorzieningen (formeel en nog) niet op het niveau van verwaarloosbaar bodemrisico zijn gebracht, moet dit naar het oordeel van de rechtbank in het kader van handhaving van de voorschriften van het bestreden besluit aan de orde komen. Dat is feitelijk ook wat de Staatssecretaris en Vermilion betogen door te verwijzen naar de keuringen die nog moeten plaatsvinden. Een nadere motivering van de Staatssecretaris om te onderbouwen waarom de zeven genoemde voorzieningen aan de eis van aanvaardbaar bodemrisico moeten voldoen, is daarom naar het oordeel van de rechtbank overbodig.
9.10.
De beroepen treffen naar het oordeel van de rechtbank wel doel. De Staatssecretaris stelde zich in het bestreden besluit namelijk eerst op het standpunt dat voor een deel van de voorzieningen aanvaardbaar bodemrisico voldoende werd geacht. Zoals hiervoor is overwogen, is dit onvoldoende onderbouwd in het bestreden besluit. Nu voldoende is toegelicht dat verwaarloosbaar bodemrisico het uitgangspunt is, komt de rechtbank tot een gegrondverklaring van de beroepen en een gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit. De gedeeltelijke vernietiging betreft de pagina’s 17 (vanaf het kopje ‘Bodem’) en 18 (eerste twee alinea’s) van het bestreden besluit waarin door de Staatssecretaris is overwogen dat de genoemde zeven voorzieningen aan een aanvaardbaar bodemrisico mogen voldoen. Om onduidelijkheden bij handhaving van de voorschriften zoals opgenomen in van het bestreden besluit te voorkomen, zal de rechtbank zelf een voorziening treffen. Hiertoe is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank bepaalt dat de uitspraak van de rechtbank, met name de overwegingen 9.1 tot en met 9.9, in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit, te weten de hiervoor genoemde overwegingen op pagina’s 17 en 18.
Is het monitoringssysteem voldoende?
10. Gedeputeerde Staten hebben nog aangevoerd dat het in voorschrift 2.4.1 van het bestreden besluit opgenomen monitoringssysteem onvoldoende is. Gelet op wat hiervoor besproken is, kan deze vraag in het midden blijven. Het monitoringssysteem was immers in het bestreden besluit opgenomen, omdat de Staatssecretaris voor een aantal voorzieningen het aanvaardbaar bodemrisico van toepassing achtte. Naar in beroep is gebleken heeft de Staatssecretaris dit standpunt losgelaten.
Hoeft op grond van het overgangsrecht aan minder strenge eisen te worden voldaan?
11. Gedeputeerde Staten stellen dat niet aan de eisen van de ten tijde van de verleende vergunning in 2002 geldende Provinciale Milieuverordening is getoetst. Daarnaast geldt dat op grond van artikel 2.8 van de Interim Omgevingsverordening (IOV) het bedrijfsmatig gebruik en aanwezig hebben van een potentieel schadelijke stof alleen is toegetaan als voldaan wordt aan de hoogst mogelijke beschermingsmaatregelen zoals opgenomen in de NRB. Daaraan wordt niet voldaan.
11.1.
De Staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de bodembeschermende maatregelen voldoende zijn gelet op het overgangsrecht uit de IOV. Bovendien is de Staatssecretaris als vergunningverlener niet gehouden aan de rechtstreeks werkende regels uit de IOV.
11.2.
De rechtbank stelt vast dat de bepaling waarop Gedeputeerde Staten zich beroepen een rechtstreeks werkende bepaling betreft, op grond waarvan de genoemde activiteit verboden was ten tijde van de geldingsduur van de IOV. Nu echter de borings- en gaswinningsactiviteiten al werden uitgeoefend op het moment van inwerkingtreding van de IOV, mogen deze gelet op artikel 9.3 van de IOV worden voortgezet. Daarbij gelden uiteraard de beperkingen zoals neergelegd in het bestreden besluit en andere toepasselijke regels.
Boring in grondwaterbeschermingsgebied
12. Eisers verzetten zich tegen boringen in grondwaterbeschermingsgebied. Dit is in strijd met de Structuurvisie Ondergrond (Strong). Gedeputeerde Staten wijzen erop dat het grondwaterbeschermingsgebied al in 1988 is vastgesteld, terwijl de gaswinningsput pas in 1994 is geboord. Ook toen was een diepe boring in grondwaterbeschermingsgebied niet toegestaan. Dit is niet ongedaan te maken, maar het maakt wel dat de risico’s en gevolgen zo veel mogelijk beperkt moeten worden door het hoogst mogelijke beschermingsniveau conform de NRB te hanteren. Het is daarom belangrijk dat ook de monitoring op orde is.
12.1.
De Staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat er door het verlengen van deze omgevingsvergunning geen nieuwe boringen zijn vergund. Het betreft een revisievergunning voor een bestaande boringsactiviteit.
12.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de Staatssecretaris zich met juistheid op het standpunt dat Strong een structuurvisie is die ziet op toekomstige ontwikkelingen en nieuwe activiteiten. Daarvan is in dit geval geen sprake. Bovendien is hiervoor vastgesteld dat het hoogst mogelijke beschermingsniveau conform de NRB is vereist.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een gebrek kent dat met de aanvullende motivering van de Staatssecretaris in beroep is geheeld. De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren en – om onduidelijkheden bij handhaving te voorkomen – het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigen, zoals in overweging 9.8 is geoordeeld. Daarnaast wordt door de rechtbank zelf in de zaak voorzien met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zoals bepaald in overweging 9.10.
13.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de Staatssecretaris het griffierecht aan eisers vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt pagina 17 (vanaf het kopje ‘Bodem’) en pagina 18 (eerste twee alinea’s) van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de Staatssecretaris het betaalde griffierecht van € 371,00 aan eisers vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzitter, mr. A.M.L.E. Ides Peeters en mr. M.J. Schouw, leden, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 19 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d van de Awb.
3.Voorschrift 2.1.1 in het bestreden besluit.
4.Combinatie van voorzieningen en maatregelen.