4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Naar aanleiding van een melding bij het Team Nationale Inlichtingen is door de politie op 20 februari 2025 bij de loods aan de [straat] in Erp een camera geplaatst. Met ingang van 12 maart 2025 is er ook een camera in die loods geplaatst, evenals geluidsopname-apparatuur. Zoals onder 3.1 al kort is aangehaald, gaat het in het dossier met name om de activiteiten die op en omstreeks 22 april 2025 en 9 mei 2025 hebben plaatsgevonden. Op basis van de opgenomen camerabeelden en OVC-gesprekken op die data in en rondom de voormelde loods is er nader politieonderzoek verricht.
9 mei 2025
Activiteiten in/bij de loods
Uit de (beschrijving van de) camerabeelden blijkt dat op 9 mei 2025 bij de loods door [verdachte] , die bestuurder was van een Mercedes trekker ( [kenteken 1] ), een witte koeltrailer ( [kenteken 2] ) werd geplaatst voorzien van het [opschrift] . Kort daarna arriveerde [medeverdachte 1] in zijn grijze Honda Jazz, die - aldus zijn eigen verklaring - twee sporttassen gevuld met 37 blokken heeft afgegeven. Vervolgens kwam [medeverdachte 2] aan in een andere trekker, een DAF ( [kenteken 3] ), die uiteindelijk werd gekoppeld aan de koeltrailer ( [kenteken 2] ). Nadat de koeltrailer in de loods werd gereden, werd deze op zijn “poten” gezet. Uit de camerabeelden en de geluidsopnamen volgt dat er vervolgens door [verdachte] en [medeverdachte 2] volop werd gesleuteld onder de koeltrailer. Even later kwam het arrestatieteam ter plaatse en werden [verdachte] en [medeverdachte 2] in de loods aangehouden. Zij bleken de enige aanwezige personen in de loods te zijn. De politie trof daarna in een verborgen ruimte bij de ‘kingpin’ van de trailer 37 vacuüm verpakte blokken cocaïne aan, met een gewicht van ongeveer een kilogram per blok. Gezien de gegeven omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat de blokken, die afkomstig waren van [medeverdachte 1] , even tevoren door [verdachte] en [medeverdachte 2] in de verborgen ruimte waren verstopt.
Opzettelijk aanwezig hebben
Met de raadsman en de officier van justitie acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] op 9 mei 2025 samen met anderen een grote hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad, zoals (impliciet subsidiair) is ten laste gelegd onder feit 1.
(Verlengde) uitvoer
Met het oog op het tenlastegelegde onder feit 3 ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte zich op 9 mei 2025 ook schuldig heeft gemaakt aan (verlengde) uitvoer van de cocaïne.
De rechtbank heeft hiervoor acht geslagen op artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, waarin staat dat onder buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen mede wordt verstaan het “in, op of aan een naar het buitenland bestemd voertuig aanwezig hebben van die middelen”. Hiervoor is niet vereist dat de verdovende middelen Nederland daadwerkelijk hebben verlaten. Wel is vereist dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdovende middelen een bestemming hadden in het buitenland. Naar het oordeel van de rechtbank is dit laatste het geval. Uit een tweetal transportopdrachten volgt dat de bewuste koeltrailer [kenteken 2] en de trekker [kenteken 3] als eindbestemming Zweden hadden en dat daar op of omstreeks 12 mei 2025 de lading moest worden gelost.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] op 9 mei 2025 samen met anderen de cocaïne in de trailer aanwezig heeft gehad, terwijl het de bedoeling was die trailer buiten het grondgebied van Nederland te brengen en zich dus schuldig heeft gemaakt aan verlengde uitvoer in de zin van de Opiumwet, zoals (mede) is ten laste gelegd onder feit 3.
22 april 2025
Activiteiten in/bij de loods
Uit de bewijsmiddelen volgt dat ook al op 22 april 2025 een witte koeltrailer (ook met het kenteken [kenteken 2] en de [opschrift] de loods werd binnengereden door de trekker met kenteken [kenteken 1] . In deze trekker zaten [verdachte] als bestuurder en [medeverdachte 2] als bijrijder. Net als op 9 mei 2025 werd de grijze Honda Jazz van [medeverdachte 1] bij de loods gezien. [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat hij daar die dag 19 blokken heeft afgeleverd, die hij eerst zelf heeft gevacumeerd. Blijkens de camerabeelden werd de trailer in de loods op “poten” gezet en werden er werkzaamheden verricht ter hoogte van de kingpin-koppeling van de trailer. Daarbij werden twee tassen onder de trailer geschoven, die even later leeg van onder de trailer weer werden weggegooid. De rechtbank leidt uit deze bewijsmiddelen bezien in onderlinge samenhang af dat toen de 19 blokken, afkomstig van [medeverdachte 1] , in de verborgen ruimte van de trailer werden gestopt. De trekker-trailer combinatie reed daarna de loods uit, de weg op.
Cocaïne
Anders dan door de raadsman is opgeworpen, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs aanwezig dat het om blokken cocaïne gaat.
Zij heeft hiervoor ten eerste in aanmerking genomen dat de werkwijze op 22 april 2025 overeenkomt met die op 9 mei 2025, van welke datum vaststaat dat er daadwerkelijk blokken cocaïne in de verborgen ruimte van de trailer zijn geplaatst. Net als op 9 mei 2025 zijn die blokken op 22 april 2025 ook door [medeverdachte 1] in tassen aangeleverd en was er sprake van een token. Steeds dezelfde personen zijn betrokken geweest.
Ten tweede is uit de verklaring en de telefoongegevens van [medeverdachte 1] af te leiden dat het blokken cocaïne betroffen. [medeverdachte 1] is geruime tijd druk geweest met het rondbrengen van blokken cocaïne op verschillende locaties in het land, welke blokken hij eerst zelf vacumeerde. Niet is gebleken dat hij blokken met andere verdovende middelen of stoffen vervoerde. [medeverdachte 1] gebruikte zelf cocaïne. In februari 2025 was hij bovendien afgereisd naar Colombia -dat bekend staat als één van de grootste cocaïne producerende landen- om blokken cocaïne te testen en te proeven. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij denkt dat het bij de 19 blokken op 22 april 2025 - die hij zelf in zijn handen heeft gehad en heeft gevacumeerd - om cocaïne gaat.
In de derde plaats wijzen de foto’s van blokken in de telefoon van [medeverdachte 1] op cocaïne. De rechtbank heeft hiervoor een foto, die [medeverdachte 1] op 22 april 2025 heeft gemaakt van de 19 blokken die bij hem thuis op de vloer liggen en waarover hij heeft verklaard dat hij die naar Erp heeft gebracht (op pagina 694/697 van het eindproces-verbaal), vergeleken met andere foto’s van verschillende blokken die door [medeverdachte 1] al dan niet in zijn woning zijn gemaakt (op pagina 807 van het eindproces-verbaal). Nu [medeverdachte 1] over deze laatstgenoemde foto’s expliciet heeft verklaard dat hierop blokken cocaïne zijn te zien en op de foto van 22 april 2025 soortgelijke gevacumeerde blokken met dezelfde teksten of logo’s zijn waar te nemen, gaat de rechtbank er ook om die reden van uit dat de 19 blokken die op 22 april 2025 onder de trailer zijn geplaatst cocaïne bevatten.
Dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij vermoedde dat er cocaïne in de blokken zat, maar dat niet zeker weet, kan daar gelet op het bovenstaande niet aan afdoen.
Vervoer/uitvoer
Aan de hand van de tachograafgegevens van de trekker [kenteken 1] , de zendmastgegevens van de telefoon van [medeverdachte 2] , de bevindingen omtrent het bezoek van [medeverdachte 2] aan Döhler en een stapeltje aankoopbonnen, een notitieboekje en een CMR-vrachtbrief (hierna: CMR) die in voornoemde trekker zijn gevonden, kan worden vastgesteld dat [verdachte] en [medeverdachte 2] op 22 april 2025 na het bezoek aan de loods in Erp met de trekker-trailer combinatie [kenteken 1] / [kenteken 2] vanuit Nederland, via Duitsland en Denemarken, naar Zweden zijn gereden. De chauffeurs hebben beurtelings de vrachtwagen bestuurd.
Ten aanzien van de verweren over de betekenis van 19 ‘koli’ en de mogelijkheid van het al gelost zijn van de blokken in Oosterhout, overweegt de rechtbank als volgt.
De activiteiten bij de loods in Erp vonden op 22 april 2025 in de avond plaats. Volgens de zendmastgegevens van [medeverdachte 2] ’s telefoon reed het tweetal daarna naar Oosterhout. Daar werd vroeg in de ochtend bij de firma Döhler een partij van 88 vaten met 19.360 kilogram mangosap geladen in de trailer [kenteken 2] , met als plaats voor aflevering Simrishamn in Zweden. Dit volgt uit de beschikbare CMR en komt terug in het notitieboekje dat in de trekker lag. [medeverdachte 2] had zich aangemeld bij Döhler en had tevens de CMR als foto in zijn telefoon staan. Uit de CMR is op te maken dat er op 25 april 2025 daadwerkelijk een hoeveelheid van 19.360 kilogram mangosap is gelost bij het bedrijf Appelkvist in Simrishamn, waarvoor is getekend. Volgens de aantekeningen in het notitieboekje moest er na het lossen van deze vracht nóg een afzonderlijke lading worden gelost, namelijk een lading van 19 ‘koli’. Los van de vragen waar het getal ‘19’ precies op slaat en of met ‘koli’ dozen, verpakkingen of pallets zijn bedoeld, betekent dit dat er in elk geval tweemaal is gelost en dat er dus meer is gelost dan enkel de 88 vaten met mangosap. Mede gelet op het feit dat gegevens over een mogelijke andere legale lading ontbreken, gaat de rechtbank er van uit dat bij de tweede keer lossen de 19 blokken cocaïne zijn gelost.
De rechtbank acht het daarnaast volstrekt onaannemelijk dat de cocaïne al in Oosterhout uit de trailer is gehaald, gezien de lastige, arbeidsintensieve en tijdrovende manier waarop verdachten bij de verborgen ruimte met de cocaïne konden komen. Ook is het onvoorstelbaar dat, zoals hier is gebeurd, een internationale trekker-trailer combinatie zou worden geregeld en alle moeite zou worden gedaan voor het verbergen van de drugs om deze voor slechts een korte afstand binnen Nederland – tussen Erp en Oosterhout ‒ te vervoeren, terwijl [medeverdachte 1] , als dat de bedoeling was geweest, de drugs ook rechtstreeks in de verborgen ruimte in zijn Honda Jazz naar Oosterhout had kunnen brengen.
De rechtbank passeert de verweren van de raadsman.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het bovenstaande worden geconcludeerd dat [verdachte] samen met anderen in de periode van 22 april 2025 tot en met 25 april 2025 niet alleen opzettelijk een grote hoeveelheid cocaïne in Nederland heeft afgeleverd, verstrekt en vervoerd, maar ook heeft uitgevoerd. De feiten 1 en 3 kunnen daarom ook ten aanzien van deze periode wettig en overtuigend worden bewezen.
feit 2:
Bij de vraag of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen, gaat de rechtbank allereerst uit van de feiten en omstandigheden zoals die hiervoor zijn weergegeven. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat bij [verdachte] en [medeverdachte 2] naast trekkers en de koeltrailer met de geheime bergruimte, navigatiesystemen, telefoons en GPS-trackers zijn aangetroffen. Deze goederen waren, in samenhang bezien en in het licht van het vorenstaande, in de genoemde perioden onmiskenbaar bestemd voor het plegen van de strafbare feiten te weten het uitvoeren, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne. Het voorhanden hebben van deze goederen kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden gekwalificeerd als het medeplegen van voorbereidingshandelingen.
Zij acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen.
Samenloop
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3 sprake is van eendaadse samenloop zoals bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen hangen immers zodanig met elkaar samen en zien steeds op dezelfde pleegperiode en plaatsen dat [verdachte] daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet of slechts enigszins uiteenloopt.