Uitspraak
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2011,
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2012,
[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 3] 2013,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1.Het verdere procesverloop
- de in deze zaak gegeven nadere beschikking van 26 maart 2025 van de rechtbank en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van 6 oktober 2025 van de GI, met bijlage;
- de brief van 21 oktober 2025 van mr. Van Hoof, met daarin een aanvullend zelfstandig verzoek;
- de brief van 21 oktober 2025 van mr. Groenhuis-Kools, met daarin een aanvullend verzoek;
- de brief van 9 december 2025 van mr. Groenhuis-Kools, met daarin een gewijzigd (aanvullend) verzoek;
- de brief van 15 december 2025 van mr. Van Hoof, met daarin een gewijzigd (aanvullend) zelfstandig verzoek.
2.De nadere beoordeling
- Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. De minderjarigen zijn tijdens deze relatie geboren.
- De man heeft de minderjarigen erkend.
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
- Bij mondeling vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar zijn de minderjarigen voorlopig aan de man toevertrouwd.
- Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 4 april 2024 van deze rechtbank is het hoofdverblijf van de minderjarigen voorlopig bij de man bepaald. De rechtbank heeft in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen bepaald, samengevat en voor zover hier nu van belang, dat de vrouw en de minderjarigen voorlopig eenmaal per twee weken van vrijdag 17.00/21.00 uur tot zondag 19.00 uur gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar. Daarnaast heeft de rechtbank partijen verwezen naar het zorgloket van de samenwerkende gemeenten voor het doorlopen van een zorgtraject in het kader van het uniform hulpaanbod (UHA). In afwachting van het verloop en het resultaat daarvan, heeft de rechtbank de definitieve beslissing in deze zaak pro forma aangehouden tot 8 oktober 2024. Deze termijn is nadien steeds verlengd.
- Bij beschikking van 18 maart 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI tot 18 maart 2026.
- het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen;
- in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de minderjarigen te bepalen dat de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar volgens een door de GI geadviseerde regeling, althans op basis van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorg- en contactregeling, en tussen de man en [minderjarige 1] geen regeling te bepalen.
- het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen;
- de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de minderjarigen te verdelen waarbij de minderjarigen steeds om en om gedurende een week bij de man dan wel de vrouw verblijven, met als wisselmoment zondag om 18.00 uur, alsmede de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen door partijen in onderling overleg nader in te vullen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorg- en contactregeling.
De rechtbank vindt het in ieder geval te vroeg om de verzoeken in deze zaak al gelijktijdig met dit nog in te dienen verzoek van de GI tot verlenging ondertoezichtstelling mondeling te behandelen.
3.De beslissing
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 1] 2011;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2012;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2013,
dinsdag 28 juli 2026 PRO FORMA, in afwachting van schriftelijk bericht van de GI over de actuele stand van zaken en haar standpunt over het verdere procesverloop van deze zaak, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 2.18. tot en met 2.22. is overwogen;
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.