ECLI:NL:RBZWB:2026:1925

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/02/436092 / FA RK 25-2840 en C/02/435865 / FA RK 25-2718
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 815 RvArt. 3 Verordening (EU) 2019/1111Art. 10:31 BWArt. 10:56 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding, erkenning Syrisch huwelijk, ontkenning vaderschap en beëindiging gezamenlijk gezag

De vrouw en de man zijn in Syrië getrouwd en wonen met hun minderjarige kind in Nederland. De vrouw verzoekt echtscheiding, toewijzing hoofdverblijf bij haar, ontkenning vaderschap van de man over het kind en beëindiging van het gezamenlijk gezag. De man erkent geen contact meer te hebben en bevestigt niet de biologische vader te zijn.

De rechtbank erkent het Syrische huwelijk als rechtsgeldig en constateert een verschrijving in de BRP huwelijksdatum. Ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan verklaart de rechtbank het verzoek tot echtscheiding ontvankelijk en wijst dit toe wegens duurzame ontwrichting.

De ontkenning van het vaderschap wordt gegrond verklaard omdat de man niet de biologische vader is en het verzoek tijdig is ingediend. Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en aan de moeder wordt het eenhoofdig gezag toegekend. Het verzoek tot toewijzing hoofdverblijf wordt afgewezen omdat dit bij eenhoofdig gezag van rechtswege bij de moeder ligt. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening toegedeeld.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, ontkenning vaderschap gegrond verklaard en gezamenlijk gezag beëindigd ten gunste van de moeder.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummers : C/02/436092 / FA RK 25-2840 (echtscheiding)
: C/02/435865 / FA RK 25-2718 (ontkenning)
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Beschikking over echtscheiding, gegrondverklaring ontkenning vaderschap en wijziging gezag
in de zaken van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze.
De rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbend aan:
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] .
De rechtbank merkt daarnaast in de zaak over gegrondverklaring ontkenning vaderschap als belanghebbend aan:
de [minderjarige],
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2025,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
vertegenwoordigd door:
mr. M. HOFLAND, advocaat te Breda, als bijzondere curator over [minderjarige] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
De rechtbank merkt tot slot in de zaak over gegrondverklaring ontkenning vaderschap als informant aan:
[de vermoedelijke biologische vader],
hierna te noemen: de (vermoedelijke) biologische vader,
wonende te [woonplaats 1] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank in deze zaken geadviseerd voor zover de verzoeken zien op de minderjarige [minderjarige] .

1.Het (verdere) procesverloop

1.1.
In het procesdossier met het zaaknummer C/02/436092 / FA RK 25-2840 zitten de volgende stukken:
  • het op 26 mei 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
  • het betekeningsexploot van 3 juni 2025;
  • het F9-formulier van 26 juni 2025 van mr. Van Kerkhof, met bijlage;
  • de brief van 4 augustus 2025 van mr. Van Kerkhof, met daarin een wijziging van het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 4 augustus 2025, met bijlage;
  • het F9-formulier van 14 augustus 2025, met bijlage;
  • het F9-formulier van 2 september 2025, met daarin een intrekking van het verzoek tot toebedeling van het huurrecht.
1.2.
In het procesdossier met het zaaknummer C/02/435865 / FA RK 25-2718 zitten de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van deze rechtbank van 31 juli 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het F9-formulier van 19 augustus 2025 van mr. Van Kerkhof, met bijlagen;
  • het rapport en advies van 15 september 2025 van de bijzondere curator;
  • de brief van 2 oktober 2025 van de bijzondere curator, met bijlage;
  • het op 10 december 2025 ter zitting door mr. Van Kerkhof schriftelijk overgelegde, aanvullende verzoek tot wijziging gezag.
1.3.
Op 10 december 2025 heeft de rechtbank de verzoeken in beide zaken, gelet op de onderlinge samenhang, gelijktijdig mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. Van Kerkhof en mevrouw [persoon] , tolk in de Arabische taal (met [tolkennummer] );
  • de man;
  • de bijzondere curator.

2.De verzoeken

2.1.
De vrouw verzoekt in de zaak C/02/436092 / FA RK 25-2840, samengevat:
  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
  • te bepalen dat [minderjarige] na de echtscheiding zijn hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben;
  • het huurrecht van de huurwoning te [woonplaats 1] aan de vrouw toe te kennen en het huurrecht van de woning van de man in [woonplaats 2] aan de man toe te kennen.
2.2.
De vrouw verzoekt in de zaak C/02/435865 / FA RK 25-2718, na aanvulling van het verzoek, samengevat:
  • tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man over [minderjarige] ;
  • tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
Op de standpunten van partijen en het advies van de Raad zal hierna, samengevat en voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, worden ingegaan.

3.De (nadere) beoordeling

Inleiding
3.1.
Bij voormelde in de zaak C/02/435865 / FA RK 25-2718 gegeven beschikking van 31 juli 2025 heeft de rechtbank mr. M. Hofland benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek tot gegrondverklaring ontkenning vaderschap in te nemen.
3.2.
Op grond van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast:
  • De vrouw is op 4 mei 2025 in [geboorteplaats 1] bevallen van [minderjarige] .
  • De vrouw en de man staan als juridisch ouders vermeld op de geboorteakte van [minderjarige] .
  • De vrouw, de man en [minderjarige] hebben in ieder geval vanaf de datum van de indiening van de verzoeken in beide zaken de Nederlandse nationaliteit en zij wonen en hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland.
De onderbouwing van de verzoeken van de vrouw
3.3.
Namens en door de vrouw is ter onderbouwing van haar verzoeken, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vrouw en de man zijn op 7 april 2014 in [plaats] , Syrië met elkaar getrouwd. De man was niet bij de huwelijksvoltrekking aanwezig, maar hij heeft zich laten vertegenwoordigen door een aantal familieleden. De vrouw had destijds een huwbare leeftijd en partijen zijn overeenkomstig de ter plaatse geldende Shariawetgeving getrouwd. Op 31 december 2014 is het huwelijk van partijen geregistreerd door de Syrische autoriteiten. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar huwelijk met de man een afschrift van het Syrische “Statement of Marriage” overgelegd waaruit dit blijkt. De vrouw gaat er derhalve van uit dat er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Na binnenkomst in Nederland heeft de vrouw tijdens haar verhoor bij de IND verklaard dat zij getrouwd is met de man. Dit blijkt uit de overgelegde IND-rapportage van 6 juni 2016. Het huwelijk van partijen is daarop geregistreerd in de Basisregistratie personen (BRP).
3.4.
De vrouw en de man leven echter al jarenlang gescheiden van elkaar. Zij hebben al ruim tien jaar geen contact met elkaar gehad en zij hebben beiden een nieuwe relatie gekregen. Op [geboortedag 1] 2025 is [minderjarige] geboren uit de relatie van de vrouw en de (vermoedelijke) biologische vader. De (vermoedelijke) biologische vader wilde [minderjarige] gaan erkennen, maar dit is niet gelukt omdat [minderjarige] is geboren binnen het huwelijk van de vrouw en de man, waardoor de man de juridische vader van [minderjarige] is geworden. Gelet op het voorgaande verzoekt de vrouw om in het huwelijk van partijen de echtscheiding uit te spreken en, nu de man niet de biologische vader van [minderjarige] is en [minderjarige] niets van de man als (juridisch) ouder te verwachten heeft, tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man over [minderjarige] . Daarbij komt dat de (vermoedelijke) biologische vader [minderjarige] graag alsnog wil erkennen.
3.5.
De advocaat merkt op dat in de BRP de verkeerde datum is geregistreerd waarop de vrouw en de man met elkaar zijn getrouwd. In de BRP staat namelijk [datum] 2014 als datum van de huwelijksvoltrekking vermeld, terwijl dit 7 april 2014 moet zijn. De advocaat verzoekt aan de rechtbank om in deze beschikking duidelijk te overwegen dat er sprake is van een klaarblijkelijke verschrijving in de BRP en dat het in ieder geval om hetzelfde huwelijk gaat. Dit om te voorkomen dat, als de echtscheiding tussen partijen wordt uitgesproken, deze niet kan worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
3.6.
De advocaat heeft tot slot ter zitting schriftelijk aanvullend verzocht om het gezamenlijk gezag van de vrouw en de man over [minderjarige] te beëindigen en de vrouw met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten.
Het rapport en advies van de bijzondere curator
3.7.
De bijzondere curator heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Als het huwelijk dat tussen partijen in Syrië rechtsgeldig is voltrokken en de akte voldoet aan de gestelde eisen, dan wordt het huwelijk in Nederland erkend. De huwelijksakte is bovendien leidend; de eventuele foutieve BRP-registratie is dat niet. De bijzondere curator kan op basis van de haar beschikbare informatie echter niet beoordelen of er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk of niet. De bijzondere curator stelt vervolgens vast dat de vrouw, de man en de (vermoedelijke) biologische vader het erover eens zijn dat de man niet de verwekker van [minderjarige] is. Als de vrouw en de man elkaar inderdaad al tien jaren geen contact met elkaar hebben gehad, dan is dat ook niet mogelijk. De (vermoedelijke) biologische vader wil graag [minderjarige] gaan erkennen en invulling geven aan zijn vaderrol. Bovendien is gebleken dat [minderjarige] niets meer van zijn juridische vader als ouder te verwachten heeft. De bijzondere curator adviseert daarom om het verzoek tot gegrondverklaring ontkenning vaderschap toe te wijzen.
Het standpunt van de man
3.8.
De man heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De man bevestigt dat hij met de vrouw is getrouwd. De precieze datum waarop het huwelijk is voltrokken weet de man niet meer. Uitgaande van de door de vrouw overgelegde stukken, zal dit op 7 april 2014 zijn geweest. De man was zelf niet bij de huwelijksvoltrekking aanwezig, maar hij had een aantal familieleden gemachtigd om namens hem daarbij aanwezig te zijn. De man bevestigt ook dat hij niet de biologische vader van [minderjarige] is en dat hij al tien jaar geen contact heeft gehad met de vrouw. De man stelt tot slot dat hij zelf in 2018 is getrouwd met zijn huidige echtgenote, met wie hij ook een kind heeft.
Internationaal privaatrecht (IPR)
3.9.
De vrouw en de man zijn met elkaar getrouwd in [plaats] , Syrië. De verzoeken van de vrouw zien op de echtscheiding tussen partijen en op gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man dat door voormeld huwelijk is ontstaan (en daarmee samenhangend wijziging van het gezag en het hoofdverblijf). Gelet hierop draagt deze zaak meerdere internationale aspecten. De rechtbank zal daarom hierna per verzoek afzonderlijk ambtshalve vaststellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken, en zo ja, welk recht dan van toepassing is op die verzoeken.
Verzoek tot echtscheiding
Internationale bevoegdheid
3.10.
Op grond van artikel 3 sub a onder Pro i van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking), oftewel de Brussel II-ter Verordening, is de rechtbank bevoegd om te beslissen op het verzoek van de vrouw tot echtscheiding, nu de gewone verblijfplaats van beide partijen in Nederland is gelegen.
Toepasselijk recht
3.11.
Op grond van artikel 10:56 is Pro Nederlands recht van toepassing op het verzoek tot echtscheiding.
Rechtsgeldigheid huwelijk
3.12.
Aangezien het huwelijk in het buitenland is gesloten dient de rechtbank zich eerst uit te laten over de geldigheid van het huwelijk. In artikel 10:31, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig wordt erkend. In lid 4 van dit artikel staat dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
3.13.
De rechtbank overweegt dat namens de vrouw een afschrift van een Syrische akte is overgelegd, waaruit blijkt dat de vrouw en de man op 7 april 2014 in [plaats] , Syrië met elkaar zijn getrouwd. Op de akte staat vermeld dat deze is afgegeven door de (daartoe bevoegde) Syrische autoriteiten en dat de akte op 31 december 2014 is ingeschreven in het register. Het bestaan van de akte en de inhoud daarvan komt overeen met wat partijen hierover tijdens de zitting hebben verklaard en met wat de vrouw hierover heeft verklaard tijdens haar verhoor bij de IND in 2016. De rechtbank ziet daarom geen redenen om te twijfelen aan de authenticiteit van de akte. Nu voormelde huwelijksakte is afgegeven door de daartoe bevoegde Syrische autoriteiten, wordt het huwelijk op grond van lid 4 van voormeld artikel vermoed rechtsgeldig te zijn. Nu niet gebleken is dat in het huwelijk van partijen een (rechtsgeldig en op basis van het Nederlands recht erkende) echtscheiding is uitgesproken, stelt de rechtbank vast dat partijen nu nog steeds met elkaar zijn getrouwd.
3.14.
De advocaat heeft aangevoerd dat in de BRP de verkeerde huwelijksdatum van partijen staat vermeld, namelijk [datum] 2014. De rechtbank overweegt in dat verband dat uit niets blijkt dat er sprake is (geweest) van een ander huwelijk tussen partijen dan het huwelijk dat op de overgelegde huwelijksakte staat vermeld. Op de overgelegde huwelijksakte staat als datum van de huwelijksvoltrekking 7 april 2014 vermeld. Partijen hebben deze datum genoemd ter zitting en de vrouw heeft deze datum genoemd tijdens haar verhoor bij de IND in 2016. Gelet op dit alles - en uitgaande van het vermoeden van de rechtsgeldigheid van (de inhoud van) de huwelijksakte - kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat hetgeen in de BRP staat vermeld over de datum van de huwelijksvoltrekking tussen partijen een verschrijving betreft. De rechtbank kan echter de ambtenaar niet gelasten om deze verschrijving te verbeteren; de rechtbank kan alleen constateren dat het om een verschrijving gaat.
Ontvankelijkheid: Ouderschapsplan
3.15.
Op grond van artikel 815, lid 2 Rv, voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.16.
Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding, heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
3.17.
De vrouw heeft geen ouderschapsplan ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw desondanks ontvankelijk is in haar verzoek tot echtscheiding. Van partijen kan naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken, omdat partijen al ruim tien jaar geen contact met elkaar hebben gehad, partijen het erover eens zijn dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is en de man niet betrokken is en redelijkerwijs niet zal worden bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
3.18.
Nu de vrouw stelt dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, wat betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten, en de man hiertegen geen verweer voert, zal de rechtbank aannemen dat het huwelijk van partijen inderdaad duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal daarom in het huwelijk tussen partijen de echtscheiding uitspreken. Het daartoe strekkende verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen.
Gegrondverklaring ontkenning vaderschap
Internationale bevoegdheid
3.19.
Met betrekking tot het verzoek tot gegrondverklaring ontkenning vaderschap ontleent de rechtbank haar bevoegdheid aan artikel 3 aanhef Pro en onder a Rv. Hierin staat dat, met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingediend de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
3.20.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw als verzoekende partij en de man en [minderjarige] als belanghebbenden in deze zaak in Nederland wonen en zij hier hun gewone verblijfplaats hebben. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek in deze zaak en daarover te oordelen en te beslissen.
Toepasselijk recht
3.21.
In artikel 10:93, eerste lid, BW staat dat, of familierechtelijke betrekkingen als bedoeld in artikel 10:92 BW Pro in een gerechtelijke procedure tot gegrondverklaring van een ontkenning kunnen worden tenietgedaan, wordt bepaald door het recht dat volgens artikel 10:92 BW Pro op het bestaan van die betrekking toepasselijk is.
3.22.
In artikel 10:92, eerste lid, BW staat dat, voor zover hier van belang, of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde persoon of gehuwd geweest zijnde persoon, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en die persoon of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de vrouw en die persoon elk hun gewone verblijfplaats hebben, of indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. In het derde lid van dit artikel staat dat voor de toepassing van het eerste lid bepalend is het tijdstip van de geboorte van het kind.
3.23.
De rechtbank overweegt dat de vrouw en de man ten tijde van de geboorte van [minderjarige] op 4 mei 2025 de Nederlandse nationaliteit hadden. Gelet hierop is Nederlands recht van toepassing op het ontstaan van de familierechtelijke betrekking tussen de man en [minderjarige] .
3.24.
Omdat Nederlands recht van toepassing is op de vraag of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde persoon, is op basis van artikel 10:93, eerste lid BW, op de vraag of deze familierechtelijke betrekkingen in een gerechtelijke procedure tot gegrondverklaring van een ontkenning kunnen worden tenietgedaan, eveneens het Nederlands recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
3.25.
Omdat [minderjarige] binnen het huwelijk van de vrouw en de man is geboren in Nederland, is de man op grond van artikel 1:199 sub a BW Pro de juridische vader van [minderjarige] .
3.26.
In artikel 1:200, eerste lid, sub a BW staat dat, voor zover hier van belang, gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap kan worden verzocht door de moeder. In het vijfde lid van dit artikel staat dat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap door de moeder moet worden ingediend binnen een jaar na de geboorte van het kind.
3.27.
De rechtbank overweegt dat de advocaat het verzoek namens de vrouw heeft ingediend op 27 mei 2025. [minderjarige] was op dat moment ongeveer drie weken oud. Daarmee is het verzoek van de vrouw binnen een jaar na de geboorte van [minderjarige] en dus tijdig ingediend, met als gevolg dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
3.28.
Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, blijkt dat de vrouw en de man in 7 april 2014 met elkaar zijn getrouwd in [plaats] , Syrië. Partijen hebben echter al ruim tien jaren geen contact meer met elkaar gehad. Op [geboortedag 1] 2025 is [minderjarige] geboren uit de relatie tussen de vrouw en de (vermoedelijke) biologische vader. Gebleken is dat de vrouw, de man en de (vermoedelijke) biologische vader zeker weten dat de (vermoedelijke) biologische vader de verwekker van [minderjarige] is. Gelet hierop is de rechtbank, net als de bijzondere curator, van oordeel dat het voldoende is aangetoond dat de man niet de verwekker van [minderjarige] is. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man over [minderjarige] . De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw op onderstaande wijze toewijzen.
Beëindiging taak van de bijzondere curator
3.29.
Nu de rechtbank een eindbeslissing zal nemen over het verzoek tot gegrondverklaring ontkenning vaderschap, is de rechtbank van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, oftewel als er een hoger beroep wordt ingediend, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.
Toesturen van de beschikking aan de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand
3.30.
De rechtbank zal deze beschikking toesturen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente waar [minderjarige] is geboren, in dit geval de gemeente Tilburg , en die ambtenaar gelasten van deze beschikking betreffende de gegrondverklaring ontkenning vaderschap een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte van [minderjarige] .
Beëindiging gezamenlijk gezag
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
3.31.
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de Brussel II-ter Verordening is de Nederlandse rechter bevoegd het (aanvullende) verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezamenlijk gezag te beoordelen, nu [minderjarige] op het moment van de indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
3.32.
Op grond van respectievelijk artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing op voormeld verzoek.
Bestaan van gezamenlijk gezag
3.33.
Uit artikel 1:251, lid 1 BW volgt dat gedurende het huwelijk de ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Uit lid 2 van voormeld artikel volgt dat, na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk blijven uitoefenen.
3.34.
Uit artikel 1:202, lid 1 BW volgt dat, voor zover hier van belang, nadat de beschikking houdende gegrondverklaring van een ontkenning van een door huwelijk ontstaan vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, het door huwelijk ontstane vaderschap wordt geacht nimmer gevolg te hebben gehad.
3.35.
Uit artikel 1:253sa, lid 1 BW volgt dat, voor zover hier van belang, over het staande hun huwelijk of geregistreerd partnerschap geboren kind oefenen een ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde partner die niet de ouder is, gezamenlijk het gezag uit, tenzij het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder. Uit lid 2 van voormeld artikel volgt dat de bepalingen met betrekking tot het gezamenlijk gezag van gehuwde en gehuwd geweest zijnde ouders van overeenkomstige toepassing zijn. Dit betekent dat het gezamenlijk gezag van partijen nog steeds bestaat ondanks de ontkenning van een door huwelijk ontstaan vaderschap.
3.36.
De rechtbank overweegt met het oog op voormelde bepalingen dat, nu [minderjarige] binnen het huwelijk van de vrouw en de man is geboren, de vrouw en de man sinds de geboorte van [minderjarige] gezamenlijk het gezag over hem uitoefenen en dat de echtscheiding deze gezagssituatie niet aantast. Dit brengt derhalve mee dat nadat de ontkenning van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan en de echtscheiding is ingeschreven, er nog steeds sprake zal zijn van gezamenlijk gezag. De vrouw is derhalve ontvankelijk is haar verzoek om het gezag van de man te doen beëindigen.
Inhoudelijke beoordeling
3.37.
Op grond van artikel 1:253v, lid 3 BW is artikel 1:253n BW van overeenkomstige toepassing. In dat artikel staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over het kind krijgt.
3.38.
In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert. Het gezamenlijke bezag kan ook beëindigd worden als dat in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.39.
De rechtbank overweegt dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is. Nu de rechtbank de gegrondverklaring ontkenning vaderschap van de man over [minderjarige] zal uitspreken, zal de man - na het in kracht van gewijsde gaan van deze beslissing - ook niet meer de juridische vader van [minderjarige] zijn. De man en [minderjarige] kennen elkaar niet, zij hebben elkaar nooit gezien en [minderjarige] heeft dan ook niets van de man te verwachten als ouder, verzorger en/of als opvoeder. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden sinds het gezamenlijk gezag is ontstaan, waardoor een beëindiging van het gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De rechtbank zal het daartoe strekkende aanvullende verzoek van de vrouw daarom toewijzen, in die zin dat zij het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] zal beëindigen en zij de vrouw zal belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Hoofdverblijfplaats
Internationale bevoegdheid
3.40.
Op dezelfde grond als hiervoor bij het gezag, acht de rechtbank zich internationaal bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot wijziging hoofdverblijfplaats.
Toepasselijk recht
3.41.
Op grond van respectievelijk artikel 17 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing op voormeld verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
3.42.
De rechtbank overweegt dat zij in het kader van geschilbeslechting bij gezamenlijk gezag het hoofdverblijf van [minderjarige] kan bepalen (1:253v, eerste lid jo. 1:253a lid 1 en lid 2 sub b BW). In geval van eenhoofdig (ouderlijk) gezag is het hoofdverblijf van een minderjarige echter van rechtswege bij de gezagsdrager gelegen. Nu de rechtbank het gezamenlijk gezag over [minderjarige] zal beëindigen en zij de vrouw zal belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] , heeft de vrouw derhalve geen belang meer bij een beslissing over het hoofdverblijf. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen, daarom afwijzen.
Huurrecht
3.43.
Bij voormeld F9-formulier van 2 september 2025 heeft mr. Van Kerkhof, namens de vrouw, het verzoek van de vrouw met betrekking tot het huurrecht ingetrokken. Nu dit verzoek is ingetrokken, kan dit verzoek niet meer worden onderzocht door de rechtbank. De rechtbank zal daarom dit verzoek afwijzen.
Verdeling proceskosten
3.44.
Gelet op de aard van deze procedure zullen de proceskosten van partijen tussen hen worden verdeelt, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.45.
Het voorgaande betekent dat als volgt wordt beslist.

4.De beslissing

De rechtbank:
C/02/436092 / FA RK 25-2840:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2014 in [plaats] , Syrië;
4.2.
verdeelt de kosten van partijen in deze zaak in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.3.
wijst het meer of anders verzochte af;
C/02/435865 / FA RK 25-2718
4.4.
verklaart gegrond de ontkenning van het vaderschap van de heer [de man] , geboren op [geboortedag 2] 1989 in [geboorteplaats 2] , Syrië, ten aanzien van de [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2025 in [geboorteplaats 1] ;
4.5.
beschouwt de taak van de bijzondere curator in deze zaak in eerste aanleg als beëindigd;
4.6.
draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te doen toekomen aan de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente Tilburg, om daarin aantekening te doen van deze beschikking;
4.7.
beëindigt het gezamenlijk gezag van de vrouw en de man over [minderjarige] en belast de vrouw met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
4.8.
verdeelt de kosten van partijen in deze zaak tussen hen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr. Sumner, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.