ECLI:NL:RBZWB:2026:188

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
24/2561
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke procedure inzake populatiebeheer van vossen in Natura 2000-gebieden

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 19 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over het populatiebeheer van vossen in verschillende Natura 2000-gebieden. De zaak betreft een beroep van een stichting tegen een besluit van de gedeputeerde staten van Zeeland, die op 16 januari 2024 een vergunning verleende voor het uitvoeren van populatiebeheer van vossen. De eiseres stelde dat het bestreden besluit in strijd was met de Wet natuurbescherming (Wnb) en dat de passende beoordeling onvoldoende zekerheid bood dat de vergunde activiteiten geen significante negatieve effecten zouden hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde soorten in de Natura 2000-gebieden. Tijdens de zitting op 20 augustus 2024 en een nadere zitting op 11 december 2025 zijn de standpunten van partijen besproken. De rechtbank heeft in haar overwegingen de conclusies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) gevolgd, die op 6 maart 2025 een verslag uitbracht waarin werd geconcludeerd dat de passende beoordeling niet voldeed aan de wettelijke eisen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd was met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb en heeft het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en de gedeputeerde staten veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: 24/2561 NATUUR

uitspraak van 19 januari 2026 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Stichting [eiseres] , uit [woonplaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. L. Mohammad),
en

de gedeputeerde staten van de provincie Zeeland, verweerder

(gemachtigde: mr. [vertegenwoordiger 2] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[stichting], uit [woonplaats 2] , vergunninghoudster
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1.1.
Met het besluit van 16 januari 2024 (bestreden besluit) hebben gedeputeerde staten (hierna: GS) een vergunning verleend voor het uitvoeren van populatiebeheer van vossen in Natura 2000-gebieden Kop van Schouwen, Yerseke Moer, Kapelse Moer, Oosterschelde en Grevelingen.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
GS hebben een verweerschrift ingediend.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 20 augustus 2024. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiseres, mevrouw [vertegenwoordiger 1] en mevrouw [vertegenwoordiger 2] namens GS en mevrouw [gemachtigde] en mevrouw [naam] (werkzaam bij [bedrijf] ) namens vergunninghoudster.
1.5.
Na afloop van de zitting is het onderzoek gesloten.
1.6.
De rechtbank is in raadkamer tot de conclusie gekomen dat het onderzoek nog niet volledig is geweest. Bij beslissing van 1 oktober 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) als deskundige benoemd
voor het instellen van een onderzoek met toepassing van artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (hierna: de tussenbeslissing).
1.7.
De StAB heeft op 6 maart 2025 schriftelijk verslag uitgebracht.
1.8.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hier schriftelijk op te reageren. Op
22 april 2025 heeft de rechtbank een reactie van eiseres ontvangen. GS en vergunninghoudster hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te reageren.
1.9.
Bij brief van 1 juli 2025 heeft de rechtbank aan partijen bericht dat zij voornemens is om het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen, tenzij een van de partijen binnen twee weken aan de rechtbank laat weten dat zij hier niet mee instemt.
1.10.
Op 16 juli 2025 heeft eiseres de rechtbank verzocht het onderzoek niet te sluiten en een nadere zitting te plannen zodat zij ook nog mondeling kan reageren op het verslag van de StAB.
1.11.
Het (tweede) onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 11 december 2025. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van GS en de gemachtigde van vergunninghoudster.
1.12.
Na afloop van de zitting is het onderzoek opnieuw gesloten.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenbeslissing. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenbeslissing heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
Beroepsgronden
3. Eiseres heeft gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2.7, tweede lid en 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) en met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Volgens eiseres is in de passende beoordeling onvoldoende getoetst aan de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde soorten, zodat significante effecten op deze instandhoudingsdoelstellingen niet uitgesloten kunnen worden.
3.1.
Daarnaast heeft eiseres gesteld dat het bestreden besluit vernietigd dient te worden wegens strijd met artikel 3:44, eerste lid, onder b en artikel 3:12, tweede lid, van de Awb.
Formele gronden
4. Eiseres heeft gesteld dat GS artikel 3:44, eerste lid, onder b van de Awb heeft geschonden, door het definitieve besluit niet aan haar toe te zenden. Daarnaast heeft eiseres gesteld dat de kennisgeving van het besluit onjuistheden bevat en daarom in strijd is met artikel 3:12, tweede lid, van de Awb.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat beide formele fouten – die overigens door GS worden erkend – niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, omdat eiseres tijdig beroep heeft aangetekend en dus niet in haar belangen is geschaad. De gebreken kunnen daarom worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Procesbelang
5. De rechtbank dient ambtshalve te onderzoeken of eiseres (nog) procesbelang heeft bij het door haar ingestelde beroep. Eiseres heeft in beginsel alleen procesbelang als zij het resultaat dat zij met het instellen van beroep nastreeft daadwerkelijk kan bereiken en het realiseren van dat resultaat voor haar feitelijk betekenis kan hebben.
5.1.
Vast staat dat de onderhavige vergunning geldig is tot en met 31 december 2025. Ter zitting hebben GS verklaard dat opnieuw een ontheffing is aangevraagd voor de flora- en fauna-activiteit en dat deze binnenkort zal worden goedgekeurd. Ten aanzien van de vergunning voor de Natura 2000-gebieden hebben GS verklaard dat er nog andere opties worden onderzocht, maar dat mogelijk ook daarvoor een nieuwe aanvraag zal worden gedaan. Gelet daarop kan het resultaat van deze beroepsprocedure mogelijk nog feitelijke betekenis hebben in het kader van een toekomstige aanvraag voor een vergunning. De rechtbank acht dat voldoende om procesbelang aan te nemen.
Advies van de StAB
6. In de tussenbeslissing heeft de rechtbank de volgende onderzoeksvraag voorgelegd aan de StAB:

Bieden de passende beoordeling, de door GS gegeven onderbouwing van de vergunning en de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende zekerheid dat de vergunde activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, geen significante negatieve effecten zullen hebben voor de (instandhoudingsdoelstellingen voor en de natuurlijke kenmerken van de) in de vergunning genoemde Natura 2000-gebieden?
6.1.
In het schriftelijk verslag van 6 maart 2025 heeft de StAB deze vraag als volgt beantwoord:

De passende beoordeling, de door gedeputeerde staten gegeven onderbouwing van de
vergunning en de aan de vergunning verbonden voorschriften bieden onvoldoende
zekerheid dat het uitvoeren van populatiebeheer van vossen, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, geen significante negatieve effecten zullen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen voor en de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Kop van Schouwen, Yerseke en Kapelse Moer, ‘Grevelingen en Oosterschelde.
De StAB heeft deze conclusie gebaseerd op een aantal in het verslag vermelde constateringen.
Reactie van eiseres
7. Eiseres heeft op het verslag van de StAB gereageerd. Ter zitting heeft eiseres verduidelijkt dat zij de conclusie van de StAB, kort gezegd dat de passende beoordeling onvoldoende zekerheid biedt dat het uitvoeren van populatiebeheer van vossen geen significante negatieve effecten zal hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen voor en de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden, onderschrijft. Eiseres meent echter dat de constateringen waar de StAB deze conclusie op baseert onvolledig en deels onjuist zijn. Volgens eiseres had de StAB op bepaalde onderdelen nog kritischer moeten zijn.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of voldaan is aan de wettelijke eis dat met zekerheid significante effecten kunnen worden uitgesloten voor de instandhoudingsdoelstellingen voor en de natuurlijke kenmerken van de in de vergunning genoemde Natura 2000-gebieden. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) mag een bestuursrechter daarbij in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. [1]
8.1.
De rechtbank is niet gebleken dat het eindverslag van de StAB onzorgvuldig tot stand is gekomen of andere gebreken bevat, waardoor het niet gebruikt zou kunnen worden voor haar oordeelsvorming. Eiseres, GS en vergunninghoudster hebben gereageerd op het conceptverslag van de StAB. De StAB heeft in een bijlage bij het eindverslag gereageerd op deze reacties. Eiseres heeft ook een schriftelijke reactie op het eindverslag ingediend. Verder zijn eiseres, GS en vergunninghoudster op de zitting van 11 december 2025 ingegaan op een aantal aspecten van het eindverslag. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de StAB. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiseres ook geen deskundig tegenadvies in het geding heeft gebracht. De rechtbank gaat daarom af op de inhoud van het eindverslag van de StAB.
8.2.
In navolging van de StAB concludeert de rechtbank dat de passende beoordeling, de door GS gegeven onderbouwing van de vergunning en de aan de vergunning verbonden voorschriften onvoldoende zekerheid bieden dat het uitvoeren van populatiebeheer van vossen, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, geen significante negatieve effecten zullen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen voor en de natuurlijke kenmerken van de onderhavige Natura 2000-gebieden. Dat betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb is verleend. De beroepsgrond slaagt en het beroep zal dus gegrond worden verklaard.
8.3.
Eiseres heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat zij met deze beroepsprocedure wil bereiken dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De StAB heeft in haar verslag een aantal kritiekpunten geformuleerd. Zoals hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding het eindverslag van de StAB niet te volgen. De rechtbank overweegt dat daartoe één fataal kritiekpunt op de passende beoordeling voldoende is.
Dat er mogelijk nog meer kritiekpunten zouden kunnen zijn, zoals eiseres stelt, is voor de rechtbank dan ook om die reden in het kader van deze procedure niet van belang. Daarbij merkt de rechtbank op dat GS ter zitting hebben aangegeven dat zij de op- en aanmerkingen van eisers wel bij de beoordeling van een eventuele toekomstige aanvraag zullen betrekken.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, gelet op 8:72, eerste lid, van de Awb. Het gevolg van de vernietiging van het bestreden besluit is dat er een nieuwe beslissing op de aanvraag moet worden genomen. Gelet op de periode waarop de aanvraag ziet, is het de vraag of een dergelijke beslissing nog nodig is.
9.1.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht door GS aan eiseres te worden vergoed.
9.2.
Ook zal de rechtbank GS veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 20 augustus 2024 en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na het verslag van het deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
9.3.
De rechtbank zal geen extra punt toekennen voor het verschijnen ter nadere zitting van 11 december 2025, omdat die zitting – die enkel op verzoek van eiseres heeft plaatsgevonden – na de schriftelijke reactie van eiseres op het verslag van de StAB naar het oordeel van de rechtbank niet zinvol meer was voor de beoordeling van deze beroepszaak.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt GS op het griffierecht aan eiseres te vergoeden tot een bedrag van
€ 371,-;
- veroordeelt GS in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze beslissing is genomen door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzitter en mr. R.P. Broeders en mr. M.J. Schouw, leden, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op
19 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:12, tweede lid, van de Awb bepaalt:
In de kennisgeving wordt vermeld:
wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;
op welke wijze dit kan geschieden;
indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid: de termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.
Artikel 3:44, eerste lid, van de Awb bepaalt:
Indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, geschiedt de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid:
(…)
b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.
Artikel 8:47 van de Awb bepaalt:
1. De bestuursrechter kan een deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek.
(…)
4 De bestuursrechter stelt een termijn binnen welke de deskundige aan hem een schriftelijk verslag van het onderzoek uitbrengt.
(…).
Habitatrichtlijn
Artikel 6
(…)
2 De Lid-Staten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
3 Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden. (…).
Wet natuurbescherming (Wnb)
Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Artikel 2.7, derde lid, van de Wnb bepaalt dat gedeputeerde staten een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend verlenen indien is voldaan aan artikel 2.8.
Artikel 2.8 van de Wnb wordt, voor zover hier van belang, bepaald:
1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
(…)
3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Voetnoten

1.ABRvS 3 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1975 (r.o. 13.1).