ECLI:NL:RBZWB:2026:1871
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde vrijstaande woning en vergelijkbaarheid referentiewoningen
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1960 met een gebruikersoppervlakte van 90 m2, gelegen op een perceel van 153 m2. De vastgestelde WOZ-waarde voor het belastingjaar 2023 bedroeg €164.000. Na een ongegrond verklaard bezwaar is belanghebbende in beroep gegaan tegen deze waarde.
De rechtbank heeft het beroep behandeld tijdens een cluster-zitting waarbij ook de heffingsambtenaar aanwezig was. Belanghebbende betwistte de classificatie van zijn woning als vrijstaand en de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen die de heffingsambtenaar gebruikte voor de waardebepaling. De rechtbank constateerde dat de woning mogelijk niet volledig vrijstaand is, maar dat dit ook geldt voor de referentiewoningen, waardoor de vergelijkbaarheid blijft bestaan.
De heffingsambtenaar had een matrix overgelegd met een getaxeerde waarde van €179.000, waar belanghebbende schriftelijk op had gereageerd. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de marktgegevens op juiste wijze waren omgezet in een waarde, en dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting, en wees de vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €164.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.