Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1846

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/3954
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArtikel 3 Huisvestingsverordening gemeente Sluis 2024Artikel 21 WoningwetArtikel 23b Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond verklaard tegen vergunningplicht tweede woning wegens vervallen vergunningplicht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, dat zijn aanvraag voor een vergunning om een woonruimte als tweede woning te gebruiken, heeft afgewezen. De aanvraag dateert van 25 februari 2024 en het college heeft dit op 21 mei 2024 afgewezen, waarna het bezwaar op 9 juli 2025 ongegrond werd verklaard.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 21 november 2025 waarin artikel 3, eerste lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Sluis 2024 onverbindend is verklaard. Dit artikel vormde de grondslag voor de vergunningplicht. Door deze onverbindendverklaring bestaat de vergunningplicht niet meer, waardoor eiser geen vergunning had hoeven aan te vragen.

De rechtbank gaat niet inhoudelijk in op de beroepsgronden van eiser, omdat de vergunningplicht is vervallen en het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak nog loopt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het besluit van 21 mei 2024, wijst de aanvraag af vanwege het ontbreken van een vergunningplicht en bepaalt dat eiser de woning voorlopig als tweede woning mag gebruiken.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser, omdat het beroep gegrond is verklaard. De proceskostenvergoeding bedraagt €1.868,00 en het griffierecht €194,00.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en eiser mag de woning voorlopig zonder vergunning als tweede woning gebruiken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3954

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] (België), eiser,

(gemachtigde: mr. A.J. Nieuwenhuijse),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, college.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag van 25 februari 2024 voor een vergunning voor het gebruik van zijn woonruimte aan de [adres] te [plaats 2] als tweede woning. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
Het beroep wordt gegrond verklaard omdat de vergunningplicht sinds een eerdere rechterlijke uitspraak niet meer bestaat. Eiser krijgt dus gelijk en hij mag de woning (voorlopig) zonder vergunning als tweede woning gebruiken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in
de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Bij besluit van 21 mei 2024 heeft het college de aanvraag van 25 februari 2024 afgewezen. In de beslissing op bezwaar van 9 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaarschrift van eiser tegen het besluit van 21 mei 2024 ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn aanvraag in stand gelaten. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser (vergezeld door zijn partner) en zijn gemachtigde deelgenomen. Het college
heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .

Beoordeling door de rechtbank

3. De gemeenteraad van Sluis heeft op 22 juni 2023 de Huisvestingsverordening gemeente Sluis 2024 (de Huisvestingsverordening) vastgesteld, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. In artikel 3, eerste lid, is een vergunningplicht opgenomen voor het gebruiken van een woonruimte als tweede woning. Deze bepaling is de grondslag geweest voor de aanvraag en voor het bestreden besluit.
3.1.
Deze rechtbank heeft in een andere beroepszaak met de uitspraak van 21 november 2025 [1] artikel 3, eerste lid, van de Huisvestingsverordening onverbindend verklaard.
3.2.
Die uitspraak werkt ook door in deze procedure: ook hier ontbreekt daardoor de vergunningsplicht in de Huisvestingsverordening, zodat eiser geen aanvraag in had hoeven dienen. Daarom heeft eiser terecht beroep ingesteld.
3.3.
De rechtbank gaat in deze uitspraak niet inhoudelijk in op de beroepsgronden van eiser, hoewel zij er begrip voor heeft dat eiser een inhoudelijk oordeel wenst over de reden waarom het college de vergunning heeft geweigerd. Omdat de vergunningplicht is vervallen, is het echter niet meer aan de rechtbank om de reden van de weigering te beoordelen. Het college heeft aangegeven dat het hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 november 2025 en de rechtbank wil en kan niet vooruitlopen op het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) in het hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank van 21 november 2025 heeft wel tot gevolg dat er op dit moment geen vergunningplicht geldt voor het gebruik van een woonruimte als tweede woning, en daar moet de rechtbank in deze uitspraak van uitgaan.

Conclusie en gevolgen

4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Eiser is namelijk terecht opgekomen tegen het bestreden besluit.
4.1.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank herroept ook het besluit van 21 mei 2024 en neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf een beslissing op de aanvraag. De rechtbank wijst de aanvraag af vanwege het ontbreken van een vergunningplicht in de Huisvestingsverordening. Dat heeft tot gevolg dat eiser zijn woning (voorlopig) als tweede woning mag gebruiken. Die situatie geldt tot de AbRS uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep en de onverbindendverklaring ongedaan maakt of tot de gemeenteraad een nieuwe vergunningplicht heeft vastgesteld.
4.2
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. In bezwaar heeft eiser in persoon geprocedeerd, en is niet gebleken van kosten die voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 9 juli 2025;
- herroept het besluit van 21 mei 2024;
- wijst de aanvraag van 25 februari 2024 af vanwege het ontbreken van een vergunningplicht in de Huisvestingsverordening;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,00 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 18 maart 2026 door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Huisvestingsverordening gemeente Sluis 2024 (Verordening)
Artikel 1, sub j:
In deze verordening wordt verstaan onder:
j. Tweede woning: een zelfstandige woonruimte die anders dan als hoofdverblijf wordt gebruikt voor verblijf;
Artikel 2, tweede lid:
2. Als woonruimten als bedoeld in artikel 21 en Pro artikel 23b, eerste en tweede lid van de wet zijn bedoeld alle woonruimten binnen alle woonkernen van de gemeente Sluis. De grenzen aan deze woonkernen zijn vastgelegd in de kaarten in bijlage A bij deze verordening.
Artikel 3, eerste, tweede en derde lid:
1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, gelegen in het gebied als bedoeld in artikel 2, tweede lid, te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als tweede woning.
2. Onder het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken wordt in elk geval verstaan het beschikbaar hebben of houden van een woonruimte ten behoeve van zichzelf of een ander zonder dat hij, zij of die ander zijn hoofdverblijf in deze woonruimte heeft.
3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor die woonruimte die op de laatst bekende peildatum een WOZ-waarde heeft hoger dan € 355.000.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland – West-Brabant 21 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8281.