ECLI:NL:RBZWB:2026:1846
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Hindriks
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond verklaard tegen vergunningplicht tweede woning wegens vervallen vergunningplicht
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, dat zijn aanvraag voor een vergunning om een woonruimte als tweede woning te gebruiken, heeft afgewezen. De aanvraag dateert van 25 februari 2024 en het college heeft dit op 21 mei 2024 afgewezen, waarna het bezwaar op 9 juli 2025 ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 21 november 2025 waarin artikel 3, eerste lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Sluis 2024 onverbindend is verklaard. Dit artikel vormde de grondslag voor de vergunningplicht. Door deze onverbindendverklaring bestaat de vergunningplicht niet meer, waardoor eiser geen vergunning had hoeven aan te vragen.
De rechtbank gaat niet inhoudelijk in op de beroepsgronden van eiser, omdat de vergunningplicht is vervallen en het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak nog loopt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het besluit van 21 mei 2024, wijst de aanvraag af vanwege het ontbreken van een vergunningplicht en bepaalt dat eiser de woning voorlopig als tweede woning mag gebruiken.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser, omdat het beroep gegrond is verklaard. De proceskostenvergoeding bedraagt €1.868,00 en het griffierecht €194,00.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en eiser mag de woning voorlopig zonder vergunning als tweede woning gebruiken.