ECLI:NL:RBZWB:2026:1840

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/02/442969 / KG ZA 25-672
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Haerkens-Wouters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 587 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing lijfsdwang bij overtreding contact- en straatverbod na relatieconflict

Partijen hadden een affectieve relatie waaruit meerdere minderjarige kinderen zijn geboren. Na beëindiging van de relatie is aan de man een contact- en straatverbod opgelegd voor twaalf maanden, met een dwangsom bij overtreding.

Ondanks dit vonnis heeft de man de vrouw bedreigd en het contact- en straatverbod overtreden, onder meer door dreigende appjes en het betreden van verboden straten. De vrouw vordert in kort geding een hernieuwd contact- en straatverbod met machtiging tot toepassing van de sterke arm en lijfsdwang.

De rechtbank verleent verstek tegen de man en wijst het verzoek tot hernieuwd contact- en straatverbod af omdat het eerdere vonnis nog van kracht is. Wel wordt de vrouw gemachtigd om het bestaande straatverbod af te dwingen met behulp van politie en justitie, en wordt lijfsdwang van drie dagen per overtreding toegestaan als ultimum remedium.

De rechtbank motiveert dat de dwangsom onvoldoende effect sorteert en dat de veiligheid van de vrouw en kinderen zwaarder weegt dan de bewegingsvrijheid van de man. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vrouw wordt gemachtigd het bestaande straatverbod af te dwingen met sterke arm en lijfsdwang bij overtreding van het contact- en straatverbod.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/442969 / KG ZA 25-672
Vonnis in kort geding van 11 februari 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. J.M. Molkenboer,
tegen
[de man],
wonende aan de [adres] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen de man,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 december 2025, met producties 1 tot en met 6;
- de brief van 19 januari 2026 van de zijde van de vrouw, met productie 7,
1.2.
Op 28 januari 2026 vond de zitting plaats. Hierbij is de vrouw verschenen, bijgestaan door mr. E.M.M. Molkenboer.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie de
volgende nu nog minderjarige kinderen zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021.
2.2.
Uit een andere relatie van de vrouw is geboren de [minderjarige 3]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2016. De man heeft [minderjarige 3] erkend.
2.3.
Na het verbreken van de relatie van partijen is geboren de minderjarige [minderjarige 4]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 4] 2022. De man is de biologische vader van
[minderjarige 4] .
2.4.
De vrouw is belast met het gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de vrouw.
2.5.
Bij vonnis van 20 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, voor zover nu van belang, aan de man een straat- en contactverbod opgelegd voor de duur van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum van betekening van het vonnis. Het straatverbod is opgelegd voor de [straat 1] en de [straat 2] te [woonplaats] . Verder is bepaald dat de man een dwangsom van € 500,= zal verbeuren per keer dan wel per dag voor iedere overtreding van een van deze verboden, waarbij in totaal maximaal € 10.000,= aan dwangsommen kan worden verbeurd. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.6.
Het vonnis van 20 oktober 2025 is op 24 oktober 2025 aan de man betekend.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. de man (nogmaals) te bevelen gedurende een jaar, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, op geen enkele wijze met de vrouw en haar
kinderen in contact te treden, anders dan via de raadsman van de vrouw, alsmede de man te bevelen zich geheel te onthouden van enig verblijf in een van de navolgende straten:
- de [straat 1] te [woonplaats] ,
- [straat 2] te [woonplaats] ;
2. de vrouw te machtigen om voormelde verboden zo nodig af te dwingen met behulp van de sterke arm en op straffe van een lijfsdwang van veertien dagen per overtreding van de verboden onder zoals geformuleerd onder 1;
3. subsidiair: zodanige voorzieningen te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.
3.2.
De vrouw legt aan haar vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. De relatie van partijen heeft zich gekenmerkt door verbaal en fysiek geweld en de vrouw is tijdens de relatie vaak bedreigd. Bij vonnis van 20 oktober 2025 is aan de man een straat- en contactverbod opgelegd, aan welke veroordelingen een dwangsom is verbonden. Desondanks heeft zich op 9 december 2025 een incident voorgedaan, waarbij de man de vrouw eerst dreigend heeft geappt en haar vervolgens heeft opgezocht bij haar woning. De politie heeft de man niet aan kunnen houden, omdat aan de verboden in het vonnis enkel een dwangsom is verbonden. Tijdens de zitting heeft de vrouw aanvullend verklaard dat de man weet dat de opgelegde dwangsommen geen effect hebben en dat hij ook weet hoe hij de politie moet manipuleren. De vrouw vreest dat de man haar alsnog zal blijven benaderen en haar iets zal aandoen. Dit maakt haar heel bang. Volgens de vrouw moet haar veiligheid en de veiligheid van de kinderen worden gewaarborgd. Haar belang om zich veilig te voelen in haar woning en directe omgeving weegt zwaarder dan het belang van de man om zich aldaar vrijelijk te kunnen bewegen. De vrouw heeft een spoedeisend belang bij het opleggen van een contact- en straatverbod, met toepassing van de machtiging van de sterke arm en lijfsdwang.

4.De beoordeling

Verstek
4.1.
Nu de dagvaarding op juiste wijze en met inachtneming van de bij de wet voorgeschreven formaliteiten is betekend, zal tegen de man verstek worden verleend.
Het straat- en contactverbod (vordering onder 1.)
4.2.
Zoals hiervoor is overwogen is bij vonnis van 20 oktober 2025 aan de man een verbod opgelegd om in contact te treden met de vrouw en haar kinderen en een verbod om zich te bevinden in de [straat 1] te [woonplaats] en het [straat 2] te [woonplaats] . Deze verboden zijn opgelegd voor de duur van twaalf maanden vanaf de datum van betekening van het vonnis. Gelet op de betekening van het vonnis aan de man op 24 oktober 2025 gelden de opgelegde verboden tot 24 oktober 2026. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw, gelet op het voorgaande, geen belang heeft om nu weer hetzelfde contact- en straatverbod te vorderen. Het door de vrouw onder 1. gevorderde contact- en straatverbod zal dan ook worden afgewezen.
Sterke arm van politie en justitie / lijfsdwang (vordering onder 2.)
4.3.
Tijdens de zitting heeft de vrouw toegelicht dat haar vordering onder 2. zo moet worden begrepen dat het bij vonnis van 20 oktober 2025 opgelegde contact- en straatverbod doorloopt, maar dan nu met een machtiging aan haar om de opgelegde verboden zo nodig af te kunnen dwingen met de sterke arm en op straffe van een lijfsdwang. Met inachtneming van het voorgaande zal hierna het door de vrouw onder 2. gevorderde worden beoordeeld.
4.4.
De voorzieningenrechter zal de door de vrouw gevorderde machtiging van de sterke arm toewijzen voor zover dit betrekking heeft op het verbod aan de man om zich op te houden in de [straat 1] te [woonplaats] en in het [straat 2] te [woonplaats] . Dit omdat de man geen verweer heeft gevoerd. Voor het opgelegde contactverbod is een machtiging met de sterke arm niet werkbaar, zodat dit deel van de vordering van de vrouw zal worden afgewezen.
4.5.
Met betrekking tot de gevorderde lijfsdwang wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 587 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt dat lijfsdwang een ultimum remedium is dat slechts kan worden toegewezen indien aannemelijk is dat de toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden (subsidiariteit) en het belang van de vrouw toepassing daarvan rechtvaardigt (proportionaliteit).
4.6.
In de dagvaarding heeft de vrouw aangegeven dat de man zich niets aan lijkt te trekken van de aan hem opgelegde verboden, omdat er op 9 december 2025 een incident heeft plaatsgevonden. Tijdens de zitting heeft de vrouw nader toegelicht dat zich na het vonnis van 20 oktober 2025 niet alleen het incident op 9 december 2025 heeft voorgedaan, maar dat de man in de periode van 20 oktober 2025 tot 9 december 2025 ook heeft geprobeerd op haar balkon te klimmen. Verder heeft de vrouw verklaard dat de man haar na het incident op 9 december 2025 meerdere dreigende appjes heeft gestuurd. Volgens de vrouw heeft zij zowel van het incident waarbij de man op haar balkon wilde klimmen, als van de dreigende appjes melding gemaakt bij de politie. De politie zou volgens de vrouw hebben aangegeven dat zij nu geen mogelijkheden hebben om de man aan te houden.
4.7.
Voor de voorzieningenrechter staat als niet weersproken vast dat de man de vrouw ook na het vonnis van 20 oktober 2025 op hinderlijke en bedreigende wijze lastig is blijven vallen. De man lijkt zich dus niets aan te trekken van een rechterlijk vonnis waarin aan hem verboden worden opgelegd. Ook de in het vonnis van 20 oktober 2025 opgelegde dwangsom heeft er niet toe geleid dat de man zijn gedrag jegens de vrouw en haar kinderen heeft aangepast. De dwangsom is daarnaast geen effectief middel gebleken omdat de man geen verhaal biedt. Uit de toelichting van de vrouw tijdens de zitting behandeling leidt de voorzieningenrechter ook af dat de man zijn gedrag niet lijkt te wijzigen als hij in de buurt van de woning van de vrouw door de politie staande wordt gehouden. De hiervoor weergegeven omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit specifieke geval dat het dwangmiddel van lijfsdwang wordt toegestaan. De vrouw en de kinderen hebben belang bij een veilige woonomgeving. Het toepassen van lijfsdwang, wanneer de man de aan hem opgelegde verboden overtreedt, is een uiterste middel om de man er toe te bewegen zich te onthouden van bedreigende gedragingen jegens de vrouw en haar kinderen. De door de vrouw gevorderde lijfsdwang zal worden toegewezen, met dien verstande dat de duur waarvoor de lijfsdwang kan worden toegepast zal worden beperkt op de hierna vermelde wijze.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.8.
De voorzieningenrechter zal de beslissing, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verleent verstek tegen de man;
5.2.
machtigt de vrouw om het in het vonnis van 20 oktober 2025 (gewezen onder zaaknummer C/02/439334 / KG ZA 25-451) onder 5.2. neergelegde verbod aan de man om zich te bevinden in de [straat 1] te [woonplaats] en het [straat 2] te [woonplaats] ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, indien de man in gebreke blijft aan voormeld verbod te voldoen;
5.3.
bepaalt dat de man bij iedere overtreding van de onder 5.1 in het hiervoor genoemde vonnis van 20 oktober 2025 aan hem opgelegde verbod om op welke wijze dan ook in contact te treden met de vrouw en haar kinderen, behoudens contact via de advocaat van de vrouw, voor de duur van drie dagen in gijzeling kan worden genomen, met dien verstande dat geen volgende in gijzelingstelling zal mogen plaatsvinden dan in het geval de man na de vorige gijzeling opnieuw een verbod overtreedt;
5.4.
bepaalt dat de man bij iedere overtreding van de onder 5.2 in het hiervoor genoemde vonnis van 20 oktober 2025 aan hem opgelegde verbod om zich te bevinden in de [straat 1] te [woonplaats] en het [straat 2] te [woonplaats] , voor de duur van drie dagen in gijzeling kan worden genomen, met dien verstande dat geen volgende in gijzelingstelling zal mogen plaatsvinden dan in het geval de man na de vorige gijzeling opnieuw een verbod overtreedt;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Haerkens-Wouters, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2026 in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk, griffier.
verzonden op: