Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres 1], wonende te [plaats] ,
C.V., gevestigd te [plaats] ,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseressen dienden een handhavingsverzoek in tegen het gebruik van hun perceel als kleinschalig kampeerterrein, dat door het college werd afgewezen. Na bezwaar en het niet tijdig nemen van een besluit daarop, werd een beroep ingesteld bij de rechtbank. Tijdens de procedure nam het college alsnog het bestreden besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit niet-ontvankelijk is omdat het besluit inmiddels is genomen. Het beroep tegen het bestreden besluit is deels gegrond, namelijk voor de hoogte van de toegekende dwangsom, die door de rechtbank wordt verhoogd van € 357,00 naar € 392,00 vanwege de late bekendmaking.
Het beroep tegen het handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk omdat eiseressen geen actueel procesbelang hebben. Het college handhaaft niet op het westelijk deel van het perceel vanwege bijzondere omstandigheden en een lopende procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak. De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseressen.
Uitkomst: Het beroep is deels gegrond voor de hoogte van de dwangsom en deels niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang; de dwangsom wordt verhoogd naar € 392,00.