ECLI:NL:RBZWB:2026:1809

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444122 / JE RK 26-90
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft sinds december 2024 in een pleeggezin op grond van eerdere beslissingen. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar er is onduidelijkheid over haar psychische gesteldheid en haar vermogen om adequaat aan te sluiten bij de behoeften van het kind.

De GI stelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende effect heeft. De bezoekmomenten met de moeder zijn verminderd vanwege de belasting die deze bezoeken voor het kind vormen. De moeder heeft geen bezwaar tegen verlenging van de ondertoezichtstelling, maar verzoekt om een kortere duur van de machtiging tot uithuisplaatsing.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een jaar, de machtiging tot uithuisplaatsing voor vijf maanden. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De resterende verzoeken worden aangehouden tot nadere rapportage over de situatie van het kind en de moeder.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor vijf maanden, met aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444122 / JE RK 26-90
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S. van Steenbergen uit Terneuzen.
DHR. [pleegouder 1] EN DHR. [pleegouder 2]
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 januari 2026;
  • het bericht van de GI van 29 januari 2026 met als bijlage het plan van aanpak;
  • de brief van de pleegouders van 23 januari 2026 ontvangen op 2 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • de moeder met haar advocaat;
- de pleegouders.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 6 december 2024 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld
van de GI met ingang van 6 december 2024 en tot 20 december 2024. Tevens is voor deze
periode een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg
verleend. De verzoeken zijn voor het overige deel aangehouden.
2.3.
Bij beschikking van 17 december 2024 is het resterende deel van het verzoek tot
voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] toegewezen met ingang van 20 december
2024 en tot 6 maart 2025. Tevens is bij dezelfde beschikking de machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 20
december 2024 en tot 6 maart 2025.
2.4.
Bij beschikking van 21 februari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 februari 2025 en tot 21 februari 2026. Tevens is bij dezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 21 februari 2025 en tot 21 augustus 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 11 december 2025 met ingang van 21 december 2025 en tot 21 februari 2026.
2.5.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging in een pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI is van mening dat er op dit moment nog te veel onduidelijk is over de psychische gesteldheid en acceptatie van de hulpverlening bij de moeder om [minderjarige] terug naar huis te plaatsen. De moeder is momenteel niet beschikbaar en lukt haar niet aan te sluiten bij [minderjarige] . Dit zorgt voor veel onduidelijkheid en moeder kan deze op dit moment niet weg nemen bij [minderjarige] . Deze onduidelijkheid is niet goed voor de ontwikkeling van [minderjarige] en zij niet de mogelijkheid om haar eigen identiteit te ontwikkelen. Daarnaast dient de speltherapie verder te gaan. Vanuit de speltherapie kan er duidelijkheid komen over de hechting van [minderjarige] en wat zij hierin nodig heeft van haar opvoeders. Ook wordt er gestart met Word & Pictures, zodat er eenduidig verhaal komt voor [minderjarige] over hoe haar leven momenteel is. Het is belangrijk dat dit verhaal komt en dat dit voor meer rust gaat zorgen. De bezoekmomenten zijn in verband met spanningen bij [minderjarige] van één keer per week teruggegaan naar één keer per twee weken. Tijdens de bezoeken wordt [minderjarige] namelijk door de moeder te veel belast met volwassen zaken. Het lukt de moeder onvoldoende om de aanwijzingen van de bezoeksbegeleiding hierin op te volgen. De bezoeken gaan binnenkort begeleid worden door [stichting] .
De verlenging van de maatregelen is noodzakelijk voor het verkrijgen van meer duidelijkheid over de psychische gezondheid van de moeder. Er is nog geen duidelijkheid over de screening van oma als netwerkplaatsing, deze is aangemeld, maar nog niet gestart. De GI weet niet hoe lang hiervoor nodig is. Komende periode zal duidelijk moeten worden of [minderjarige] teruggeplaatst kan worden. Er wordt Goed Genoeg Ouderschap ingezet om te kijken of de moeder aan kan sluiten bij [minderjarige] .
4.2.
Namens en door de moeder wordt, kort samengevat, aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing verzoekt de moeder primair om deze af te wijzen. Subsidiair verzoekt zij de machtiging te verlengen voor de duur van drie maanden en het resterende deel van het verzoek aan te houden.
4.3.
De pleegouders voeren geen verweer tegen de verzoeken van de GI. Zij geven daarbij, kort samengevat, aan dat [minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid en dat het van belang is dat er naar haar gekeken wordt.
4.4.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Zij heeft geen duidelijkheid over haar opgroeiperspectief. Ook zijn de bezoekmomenten met de moeder niet onbelast voor [minderjarige] . Zij laat na de bezoekmomenten zowel in de thuissituatie bij de pleegouders, maar ook op school en bij de speltherapeut signalen zien waaruit blijkt dat zij last heeft van de huidige situatie. Zo is er onder meer na een bezoekmoment sprake van nachtmerries en terugval in ontwikkeling. Ook belt de school met enige regelmaat de dag na het bezoekmoment de pleegouders om [minderjarige] vanwege onaanvaardbaar gedrag eerder op te halen. Zoals al eerder is overwogen, acht de kinderrechter het van belang dat de GI onderzoekt en inzichtelijk maakt waarom [minderjarige] zorgelijk gedrag laat zien tijdens en na de bezoekmomenten.
5.7.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder is ambivalent in de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders. Zij geeft aan dat zij wil dat [minderjarige] bij “eigen mensen” opgroeit. Als dit niet bij de moeder zelf kan, dan doelt de moeder op een verblijf bij oma. Tijdens de vorige zitting is afgesproken dat de GI deze mogelijkheid zou onderzoeken. Thans is gebleken dat de netwerkscreening van oma door de GI is aangevraagd, maar nogniet is gestart. Daar komt bij dat [minderjarige] – nu zij al meer dan een jaar bij pleegouders verblijft – niet zonder voorafgaande toestemming van de kinderrechter verplaatst kan worden. De GI dient bovendien zorgvuldig af te wegen wat het belang van [minderjarige] bij een eventuele verplaatsing is, zeker gelet op haar behoefte aan stabiliteit en duidelijkheid.
5.8.
Voor de kinderrechter is het nog steeds onduidelijk hoe het staat met de psychische gesteldheid van de moeder. De GI zegt dat hier nog onvoldoende duidelijkheid over is. De moeder zegt dat het beter met haar gaat, maar heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Uit hetgeen de moeder tijdens de zitting naar voren heeft gebracht, blijkt wel dat de moeder de nodige positieve stappen heeft gezet. Zo aanvaardt zij inmiddels hulpverlening. [hulpverlening 1] komt bij haar thuis en helpt haar bij praktische zaken zoals opruimen. Het huis is daardoor opgeruimder dan voorheen, zo zegt moeder. Ook neemt de moeder haar medicatie goed in, zegt zij, en heeft zij. bijna een vast contract.
5.9.
Ondanks deze stappen van de moeder lukt het haar tijdens bezoekmomenten nog steeds onvoldoende om aan te sluiten bij de behoefte van [minderjarige] . In plaats van een uitbreiding van de bezoekmomenten zijn deze juist verminderd. De GI heeft gemotiveerd aangegeven dat dit noodzakelijk was in het belang van [minderjarige] , omdat de bezoeken te belastend voor haar zijn door de manier waarop de moeder met [minderjarige] praat. Ook de pleegouders geven aan dat [minderjarige] last heeft van de bezoeken in die zin dat zij daarvoor last heeft van grote spanningen en daarna een terugval in gedrag laat zien, die ook door school wordt opgemerkt. De aanwijzingen die [jeugdzorg] tijdens bezoekmomenten heeft gegeven, zijn onvoldoende door de moeder opgevolgd. De GI gaat [stichting] inzetten. De moeder geeft aan dat zij niet begrijpt wat zij anders moet doen in haar omgang met [minderjarige] . Zij heeft wat dat betreft meer vertrouwen in [stichting] . De moeder heeft goede hoop dat de begeleiding van [stichting] beter bij haar kan aansluiten en haar tijdens de bezoeken begrijpelijker kan instrueren wat zij anders moet doen. De kinderrechter hoopt dat de moeder met de inzet van [stichting] de gegeven adviezen en instructies beter kan begrijpen en opvolgen en dat de bezoeken voor [minderjarige] daardoor minder belastend worden. De moeder heeft tijdens de zitting een duidelijke hulpvraag benoemd, namelijk ‘help mij om de juiste antwoorden te geven op de vragen van [minderjarige] ’. Ook vanuit de moeder is duidelijk te horen dat [minderjarige] zoekt naar duidelijkheid. De GI dient hier aandacht aan te besteden en hulp op in te zetten.
5.10.
De ondertoezichtstelling is nog steeds nodig. De kinderrechter zal het (onweersproken) verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar toewijzen.
5.11.
De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal deze echter voor een kortere duur toewijzen, namelijk voor vijf maanden. [minderjarige] heeft belang bij meer duidelijkheid op de kortere termijn. Daar zal de GI de nodige stappen voor moeten gaan zetten.
5.12.
Het resterende deel van het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen, zal worden aangehouden. Op de volgende zitting wil de kinderrechter dat de netwerkscreening van oma is afgerond, dat er verslagen zijn van de door [stichting] begeleide bezoekmomenten en dat de GI en de pleegouders aangeven of er door de inzet van [stichting] veranderingen zijn in het gedrag/de belasting van [minderjarige] omtrent/tijdens de bezoekmomenten. Ook wil de kinderrechter meer duidelijkheid over de psychische gesteldheid van de moeder, waarbij de kinderrechter er op wijst dat de moeder ook zelf via haar advocaat stukken hierover kan indienen, de resultaten van de speltherapie en het Goed Genoeg Ouderschap.
5.13.
De vragen van de kinderrechter, zoals benoemd in de beschikking van 11 december 2025 staan nog steeds open. De kinderrechter wil op basis van het vorenstaande meer duidelijkheid over of de opvoedvaardigheden van de moeder toereikend zijn en of zij voldoende kan aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Wat kan er van de moeder verwacht worden? Wat is haar draagkracht? Wat zijn de hechtingsbehoeften van [minderjarige] precies en in hoeverre kan de moeder daarin voorzien of is zij daarin voldoende leerbaar? Is de informatie van [hulpverlening 2] over de behandeling van de moeder inmiddels inzichtelijk voor de GI? Is er meer duiding over het gedrag van [minderjarige] na afloop van de bezoekmomenten? En gelet op wat de moeder en de pleegouders aangeven, op welke manier gaat de GI op korte termijn duidelijkheid voor [minderjarige] verkrijgen over haar opvoedperspectief?
Uitvoerbaar bij voorraad
5.14.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 21 februari 2026 en tot 21 februari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de huidige pleegouders, met ingang van 21 februari 2026 en tot 21 juli 2026;
6.3.
houdt de beslissing op het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aan tot
vrijdag 5 juni 2026 pro formamet het verzoek aan de GI om dan te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling middels een briefrapportage (zie rechtsoverweging 5.12 en 5.13) met als bijlage de bezoekverslagen van [stichting] ;
6.4.
verzoekt de GI, de (advocaat van de) moeder en de pleegouders
om zo spoedig mogelijkhun
verhinderdataover de periode vanaf 8 juni tot 20 juli 2026 over te leggen, zodat de zitting waarop het resterende deel van het verzoek wordt behandeld kan worden gepland;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 26 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.