ECLI:NL:RBZWB:2026:1803

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
C/02/417240 / FA RK 23-5974
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ouderschapsplan na UHA-traject in zorg- en opvoedingstaken

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de man om het ouderschapsplan te wijzigen en de zorgregeling voor de minderjarige kinderen aan te passen naar een week-om-week verblijf. Na verwijzing naar een UHA-traject bij De Gezinsmanager en diverse interventies, bereikten partijen uiteindelijk overeenstemming over een ouderschapsplan dat door beide partijen werd ondertekend.

De rechtbank overwoog dat het ouderschapsplan in het belang van de minderjarigen is en besloot dit plan te bekrachtigen door het aan de beschikking te hechten. De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en compenseerde de proceskosten, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Het verzoek van de man om wijziging van de zorgregeling werd daarmee niet afzonderlijk toegewezen, omdat de partijen zelf tot een gedragen regeling waren gekomen. De beschikking kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank bekrachtigt het ouderschapsplan en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/417240 / FA RK 23-5974
datum uitspraak: 12 februari 2026
beschikking over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer in Rijen, gemeente Gilze en Rijen,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof in Gilze, gemeente Gilze en Rijen.
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren op 19 mei [geboortedag 2] te [geboorteplaats 2] , hierna: [minderjarige 2] .

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 29 december 2023 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de uittreksels uit het gezagsregister over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- het vonnis in kort geding van deze rechtbank van 19 december 2023;
- de op 17 februari 2025 en 19 augustus 2025 ontvangen e-mails van de medewerker Sociaal Team van de ABG gemeenten met bijlagen;
- de op 5 maart 2025 ontvangen brief van de Raad;
- de brieven van mr. Van Reeven-Özer van 26 november 2025 en 3 december 2025 met bijlage;
- de brieven van mr. Van Kerkhof van 27 november 2025 en 3 december 2025 (met als bijlage een ondertekend ouderschapsplan).
1.2
[minderjarige 1] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij van het verzoek vindt. Hij heeft zijn mening op papier gezet.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.2
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
2.3
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. Partijen hebben samen het gezag over de kinderen.
2.4
Bij vonnis in kort geding van 19 december 2023 is aan de vrouw, ter vervanging van de toestemming van de man, toestemming verleend om hulpverlening voor [minderjarige 1] in te zetten, bestaande uit PMT bij ‘Self doen wat werkt’. Daarnaast zijn partijen voor een hulpverleningstraject verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden Brabant. Het loket is verzocht een eindrapportage in te dienen in onderhavige procedure.

3.Het verzoek en de standpunten

3.1
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het ouderschapsplan inclusief de aanvulling hierop middels het aanvullend ouderschapsplan voor zover het betreft de daarin vastgestelde zorgregeling tussen de man en de kinderen van partijen te wijzigen in die zin dat de kinderen voortaan in de ene week bij de man verblijven en in de andere week bij de vrouw met een wisselmoment op zondag om 18.30 uur;
II. partijen te verwijzen naar het UHA-traject;
III. althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie oordelend redelijk en juist acht.
3.2
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek af te wijzen en te bekrachtigen de regeling die partijen in onderling overleg onder leiding van De Gezinsmanager zijn overeengekomen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW).
4.2
Bij vonnis in kort geding van 19 december 2023 zijn partijen verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden Brabant voor een UHA-traject.
4.3
Blijkens het rapport UHA van 13 december 2024 van De Gezinsmanager hebben de ouders in overleg in oktober 2024 de afspraak gemaakt dat de kinderen om de week op donderdagavond naar de man gaan. Deze regeling stuit echter bij de vrouw op weerstand. De Gezinsmanager is van mening dat, om tot een doorbraak te komen, de ouders in een gedwongen kader afspraken moeten maken. Met behulp van een gezinsadvocaat zouden meer kaders gesteld kunnen worden.
4.4
De Raad heeft naar aanleiding van het voormelde rapport UHA een interventiegesprek gepland samen met de gemeente, De Gezinsmanager en beide partijen. Naar aanleiding van dit gesprek hebben partijen en De Gezinsmanager besloten het traject vanuit De Gezinsmanager voort te zetten.
4.5
Blijkens de eindevaluatie van De Gezinsmanager in juni 2025 is er een ouderschapsplan gerealiseerd tussen partijen wat door beide partijen gedragen wordt.
4.6
Blijkens de berichten van de advocaten van partijen van 20 en 25 augustus 2025 is de situatie tussen partijen geëscaleerd. Beide partijen verzoeken de zaak op zitting te plannen.
4.7
Op 3 december 2025 is namens de vrouw bericht dat partijen onder de vlag van het UHA vanuit De Gezinsmanager hulpverlening hebben genoten. Daar is een concept ouderschapsplan tot stand gebracht wat binnen het traject niet door partijen is ondertekend. Thans hebben partijen wel een handtekening gezet onder dit ouderschapsplan. Tussen partijen is algehele overeenstemming bereikt, waardoor voortzetting van de zitting niet noodzakelijk is. Partijen verzoeken de rechtbank om dit ouderschapsplan door de griffie te laten waarmerken en aan de beschikking te hechten. Daarmee wordt het ouderschapsplan bekrachtigd en dient geen afzonderlijke beslissing te worden genomen op het verzoek van de man met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
4.8
Bij brief van 3 december 2025 is namens de man bevestigd dat partijen in onderhavige kwestie inmiddels volledige overeenstemming met elkaar hebben bereikt en het ouderschapsplan welke eerder door De Gezinsmanager is opgesteld is door partijen ondertekend. De man wijzigt zijn verzoek in die zin dat hij de rechtbank verzoekt om het ouderschapsplan te waarmerken en aan de beschikking te hechten, zodat daarmee de tussen partijen gemaakte afspraken worden bekrachtigd.
4.9
De rechtbank overweegt als volgt.
Partijen hebben een UHA-traject doorlopen bij De Gezinsmanager. Dit traject is met vallen en opstaan doorlopen, maar door de inzet van partijen zijn zij tot een ouderschapsplan gekomen dat door beide partijen wordt ondersteund. De door partijen gemaakte afspraken acht de rechtbank in het belang van de minderjarigen. De rechtbank zal, conform het gewijzigde verzoek van de man, bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking.
4.1
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over (een van) hun kind(eren) gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

5.De beslissing

De rechtbank
bepaalt dat de onderling getroffen regeling in het ouderschapsplan als in de beschikking opgenomen moet worden beschouwd onder verwijzing naar de als bijlage ingevoegde scan van het ouderschapsplan en beveelt partijen om de verplichtingen uit het ouderschapsplan na te komen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026 in aanwezigheid van Van Diepen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.