ECLI:NL:RBZWB:2026:1801

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444352 / JE RK 26-133
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 6.1.4 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met ADHD en hechtingsproblematiek

De zaak betreft een verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland om een voorwaardelijke machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige geboren in 2011, die kampt met ADHD, hechtingsproblematiek en een traumageschiedenis.

De minderjarige verblijft sinds augustus 2025 in een gesloten accommodatie en heeft daar positieve ontwikkelingen doorgemaakt. De gesloten setting biedt bescherming, maar neemt ook prikkels en verantwoordelijkheden weg, waardoor het oefenen van zelfstandigheid in een open setting risico's met zich meebrengt.

De kinderrechter stelt vast dat de wettelijke voorwaarden voor een voorwaardelijke machtiging zijn vervuld, mede op basis van het hulpverleningsplan en de instemming van de minderjarige. De machtiging wordt verleend voor zes maanden, van 14 februari tot 14 augustus 2026, met voorwaarden gericht op het naleven van afspraken en het beperken van middelengebruik.

De moeder van de minderjarige is niet verschenen, maar correct opgeroepen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geen aanvullingen op het verzoek. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

De kinderrechter acht de gesloten jeugdhulp noodzakelijk vanwege de ernstige belemmeringen in de ontwikkeling van de minderjarige en het ontbreken van minder ingrijpende alternatieven.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een voorwaardelijke machtiging voor gesloten jeugdhulp aan de minderjarige voor zes maanden onder voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444352 / JE RK 26-133
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 januari 2026;
  • de briefrapportage de GI van 29 januari 2026;
  • de brief met bijlagen van de GI van 11 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] , bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is niet erkend.
2.2.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2017 is het ouderlijk
gezag van de moeder beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
benoemd tot voogdes over [minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2024 is Stichting
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond ontslagen van de voogdij over [minderjarige] en is de GI
benoemd tot zijn voogdes.
2.4.
Bij beschikking van 8 augustus 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 8 augustus 2025 en tot 22 augustus 2025.
2.5.
Bij beschikking van 18 augustus 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 18 augustus 2025 en tot 18 februari 2026.
2.6.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] te [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en licht toe dat [minderjarige] vanaf 14 februari 2026 terecht kan bij [jeugdzorg] . Ook licht de GI toe dat het hulpverleningsplan de komende zes maanden geldig is. Dat in het hulpverleningsplan is opgenomen dat het de komende drie maanden geldig is, is een verschrijving en zal door de gedragswetenschapper van [accommodatie] worden aangepast.
4.2.
[minderjarige] is het eens met het verzoek en de in het hulpverleningsplan gestelde voorwaarden. [minderjarige] vindt het fijn dat hij terug kan naar [jeugdzorg] .
4.3.
De Raad heeft geen aanvullingen op het verzoek van de GI.

5.De beoordeling

Het wettelijk kader
5.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.4, tweede lid, Jeugdwet kan een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk en geschikt te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en kan de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen buiten de accommodatie worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden. Daarbij dienen er geen minder ingrijpende mogelijkheden te zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
De inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat [minderjarige] in de afgelopen periode bij [accommodatie] een positieve ontwikkeling heeft laten zien. Hij heeft de geboden hulp en handvatten aangepakt en gebruikt om gezondere keuzes te maken en het lukt hem in één-op-één situaties steeds beter om te zakken in spanning, te reflecteren en inzicht te tonen in wat er bij hem speelt. Tegelijkertijd wordt gezien dat de ontwikkeling van [minderjarige] sterk wordt beïnvloed door zijn ADHD, hechtingsproblematiek en traumageschiedenis. Gebleken is dat [minderjarige] onvoldoende ruimte en rust ervaart voor therapie bij [accommodatie] . Daar komt bij dat de gesloten setting van [accommodatie] weliswaar beschermend is voor [minderjarige] , maar ook veel prikkels en verantwoordelijkheden wegneemt. Pas bij een verblijf in een open setting zal duidelijk worden in hoeverre [minderjarige] de aangeleerde vaardigheden zelfstandig weet toe te passen en de inschatting van de GI en de gedragswetenschapper van [accommodatie] is dat het oefenen daarmee gepaard zal gaan met de nodige risico’s. Dit maakt dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen, waarbij met name op het gebied van middelengebruik, beïnvloedbaarheid en het nemen van verantwoordelijkheid nog steeds risico’s worden gezien. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende dat uit de schriftelijke verklaring van 10 februari 2026 blijkt dat de gekwalificeerde gedragswetenschapper instemt met het voorliggende verzoek, is de kinderrechter van oordeel dat aan de wettelijke voorwaarden voor een voorwaardelijke machtiging is voldaan.
5.3.
De jeugdhulpaanbieder heeft in het hulpverleningsplan van 5 februari 2026 de twee voorwaarden opgenomen waaraan [minderjarige] zich moet houden. Ook is in het hulpverleningsplan de jeugdhulpaanbieder genoemd die bereid is [minderjarige] op te nemen en is vermeld welke medewerker bevoegd is tot het nemen van het besluit tot opname. [minderjarige] heeft dit plan ondertekend en heeft tijdens de zitting kenbaar gemaakt dat hij de jeugdhulp zal aanvaarden en instemt met de voorwaarden zoals opgenomen in het hulpverleningsplan. [minderjarige] begrijpt dat hij (al dan niet als time-out) op een gesloten groep van [accommodatie] kan worden geplaatst op het moment dat hij één of meerdere voorwaarden overtreedt.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat het voorliggende verzoek moet worden toegewezen. Zij zal daarom een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verlenen voor de verzochte duur van zes maanden. Omdat [minderjarige] vanaf 14 februari 2026 terecht kan bij [jeugdzorg] , zal de kinderrechter te voorwaardelijke machtiging verlenen met ingang van 14 februari 2026 en tot 14 augustus 2026, onder de hierna opgenomen voorwaarden:
1. [minderjarige] maakt duidelijke afspraken met de groep over activiteiten die hij buiten de deur doet en met welke personen hij omgaat.
Dit betekent:
- [minderjarige] houdt zich aan de 4 W’s: hij laat weten met wie hij is, wat hij doet, waar hij is en wanneer hij terug is.
- [minderjarige] is op de afgesproken tijd weer terug.
- [minderjarige] informeert de begeleiding wanneer afspraken wijzigen of gaat hierover in overleg.
Schending van deze voorwaarde is aan de orde wanneer sprake is van structureel niet nakomen van afspraken, waardoor begeleiding onvoldoende zicht op en contact met [minderjarige] heeft en risico’s niet langer te volgen zijn, of wanneer het gedrag van [minderjarige] leidt tot ernstige en acute veiligheidsrisico’s, zoals criminele beïnvloeding of uitbuiting.
2. Er ontstaan geen belemmeringen in het dagelijks leven van [minderjarige] door gebruik van middelen (drugs of alcohol).
Dit betekent: het uitgangspunt is dat middelengebruik niet wenselijk is. Tegelijkertijd is afgesproken dat niet elk gebruik automatisch leidt tot schending van de voorwaarde. Er is pas sprake van het niet naleven van deze voorwaarde wanneer het gebruik ernstig en structureel het dagelijks functioneren van [minderjarige] belemmert (school, begeleiding, afspraken) of wanneer sprake is van extreem middelengebruik dat leidt tot acute onveiligheid voor [minderjarige] zelf of voor anderen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 14 februari 2026 en tot 14 augustus 2026, onder de voorwaarden zoals in rechtsoverweging 5.4 overwogen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 24 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.