ECLI:NL:RBZWB:2026:178
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzetuitspraak ongegrond inzake niet-ontvankelijkheid van beroepen tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda
In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 januari 2026 uitspraak gedaan op de verzetten van opposante tegen een eerdere uitspraak van 10 juli 2025. In die eerdere uitspraak verklaarde de rechtbank de beroepen van opposante niet-ontvankelijk. Opposante had geen verzoek ingediend om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de eerdere beslissing terecht was. De rechtbank concludeert dat de verzetten ongegrond zijn en dat de eerdere uitspraak in stand blijft.
De beroepen van opposante, ingesteld op 22 april 2025, betroffen het niet tijdig beslissen door het college op haar aanvragen op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (Avg). Het college had echter op 18 april 2025 al beslist op deze aanvragen, voordat opposante haar beroepen instelde. De rechtbank oordeelt dat de besluiten van 18 april 2025 gericht zijn op rechtsgevolg, wat betekent dat er wel degelijk op de aanvragen is beslist. De rechtbank wijst erop dat feitelijke handelingen, zoals het nog niet verstrekken van gegevens, buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter vallen.
De rechtbank concludeert dat de grond van de verzetten niet slaagt en dat er geen aanleiding is om anders te oordelen dan in de eerdere uitspraak. De verzetten worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.