ECLI:NL:RBZWB:2026:1779
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd in spoedprocedure tuchtklachten
Verzoekster heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) verzocht om een spoedprocedure te starten voor vier tuchtklachten die zij bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) heeft ingediend. De IGJ heeft dit verzoek op 18 februari 2026 afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze beslissing en vroeg vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat hij alleen bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen als sprake is van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de beslissing van een bestuursorgaan om al dan niet een tuchtklacht in te dienen of een spoedprocedure te starten geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro.
De brief van de IGJ van 18 februari 2026, waarin zij het verzoek afwijst, is niet gericht op rechtsgevolg en verandert niets aan de juridische positie van verzoekster. Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd om het verzoek om voorlopige voorziening te behandelen. Het betaalde griffierecht wordt teruggestort.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om het verzoek om voorlopige voorziening te behandelen wegens het ontbreken van een besluit in de zin van de Awb.