Eiseres heeft op 6 december 2024 een aanvraag ingediend voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden een besluit genomen en heeft deze termijn onrechtmatig verlengd. Eiseres stelde verweerder op 8 december 2024 in gebreke, waarna zij binnen twee weken beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin is bepaald dat in soortgelijke zaken een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn geldt. In dit individuele geval is die termijn nog niet verstreken, zodat verweerder uiterlijk 29 januari 2027 een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat verweerder te laat is, met een maximum van €15.000. Verweerder moet ook het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden. De rechtbank wijst verzoeken van verweerder af om de beslistermijn te schorsen vanwege alternatieve trajecten voor schadeafhandeling.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 13 maart 2026 door rechter R.P. Broeders.