ECLI:NL:RBZWB:2026:1767

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
26/1290
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechter verklaart zich onbevoegd inzake verwijdering verkiezingsborden zonder bestuursbesluit

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het verwijderen van haar verkiezingsborden door de gemeente Moerdijk. De borden waren zonder vereiste ontheffing geplaatst, waarna medewerkers van de gemeente deze hebben verwijderd. Verzoekster stelt dat het verwijderen gebaseerd moet zijn op een bestuursbesluit, dat onrechtmatig zou zijn.

De gemeente stelt dat er geen bestuursrechtelijk besluit is genomen en dat het verwijderen feitelijk handelen betreft, waartegen geen bezwaar of beroep openstaat. De voorzieningenrechter overweegt dat een besluit een schriftelijke publiekrechtelijke rechtshandeling moet zijn, wat hier niet het geval is. Het verwijderen van de borden is een feitelijke handeling en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd om op het verzoek te beslissen en behandelt zij de zaak niet inhoudelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om te beslissen over het verzoek om voorlopige voorziening tegen het verwijderen van verkiezingsborden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1290

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster]!, uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Huijgens),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het verwijderen van verkiezingsborden. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom zij kennelijk onbevoegd is.
1.2.
Door medewerkers van de gemeente Moerdijk zijn verkiezingsborden van verzoekster verwijderd. Dat is gebeurd omdat deze zonder de volgens het college vereiste ontheffing aan de openbare weg zijn geplaatst. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekster stelt dat aan het verwijderen van de verkiezingsborden een bestuursbesluit ten grondslag moet liggen. Dit bestuursbesluit is onrechtmatig, omdat de gemeente in een eigen beleidsregel - “het groene boekje” dat wordt verstrekt aan de aan de verkiezingen deelnemende politieke partijen - heeft aangegeven het plaatsen van borden langs de weg onwenselijk te vinden, maar dat dit alleen niet mag als het de verkeersveiligheid in gevaar brengt.
2.1.
Het college geeft aan dat er niet handhavend wordt opgetreden tegen verzoekster. Er is geen bestuursrechtelijk besluit genomen. Het verwijderen van de borden is een feitelijk handelen, waartegen geen bezwaar en beroep open staat.
2.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. [1] De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in de Awb. Dit betekent dat het niet mogelijk is om hiertegen bezwaar en beroep in te stellen. [2] Hierdoor is het ook niet mogelijk een voorlopige voorziening te verzoeken aan de voorzieningenrechter. Een opdracht aan ambtenaren tot feitelijk handelen, zoals het verwijderen van verkiezingsborden, is geen publiekrechtelijke rechtshandeling. Dit leidt weliswaar tot een andere feitelijke situatie op straat, maar is geen besluit in de zin van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter, en daarmee ook de voorzieningenrechter, niet bevoegd is hier kennis van te nemen. [3]

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter is kennelijk onbevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Zij zal de zaak dus niet inhoudelijk behandelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 9 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
2.Artikel 8:1 van Pro de Awb.
3.Zie ook de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3596, r.o. 4.2 en van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2140, r.o. 11 en 12.