Kofruko B.V. leende op 6 september 2024 een bedrag van €4.600,00 uit aan de gedaagde met de afspraak dat dit uiterlijk 15 oktober 2024 zou worden terugbetaald. De gedaagde betaalde niet tijdig en kwam in verzuim vanaf 16 oktober 2024. Kofruko vorderde betaling van €4.000,00 vermeerderd met rente en kosten, terwijl de gedaagde stelde dat deelbetalingen van in totaal €900,00 niet in mindering waren gebracht.
De kantonrechter stelde vast dat de gedaagde inderdaad deelbetalingen had gedaan van €600,00 op 4 november 2024 en twee keer €300,00 op 31 januari en 26 februari 2025. Deze bedragen werden in mindering gebracht op de hoofdsom, waardoor een resterend bedrag van €3.400,00 resteerde. De aanmaning van Kofruko voldeed niet aan de wettelijke eisen omdat zij uitging van een te hoge hoofdsom, waardoor de vordering voor buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen.
De kantonrechter wees de vordering tot betaling van de resterende hoofdsom toe, vermeerderd met 4% rente conform de overeenkomst, en veroordeelde de gedaagde tot betaling van proceskosten. Een betalingsregeling kon niet door de rechter worden opgelegd. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.