ECLI:NL:RBZWB:2026:1760

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
11757384 \ CV EXPL 25-2184
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van der Burgt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 8.3 overeenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering wegens niet-nakoming contractuele verplichtingen marketingdiensten

Op 16 mei 2023 en 7 februari 2024 sloten partijen twee overeenkomsten voor marketingdiensten met een looptijd van 24 maanden. Gedaagde liet een betalingsachterstand ontstaan en Proximedia schortte haar werkzaamheden op. Proximedia vorderde betaling van achterstallige en toekomstige termijnen, incassokosten en wettelijke rente.

Gedaagde stelde dat de eerste overeenkomst tot stand kwam door misbruik van omstandigheden, misleiding en bedrog, en dat hij de overeenkomst had ontbonden wegens ontevredenheid over de dienstverlening. De rechtbank oordeelde dat gedaagde geen rechtsgevolg kon verbinden aan deze stellingen en dat Proximedia haar verplichtingen was nagekomen.

De ontbindingsverklaring van gedaagde werd niet geaccepteerd omdat geen toerekenbare tekortkoming van Proximedia was vastgesteld en gedaagde Proximedia niet in gebreke had gesteld. De vordering tot betaling van alle toekomstige termijnen ineens werd niet beperkt door de redelijkheid en billijkheid. De overeengekomen incassokosten werden gematigd tot het wettelijke tarief. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke handelsrente en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige en toekomstige termijnen, wettelijke rente en proceskosten; ontbinding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11757384 \ CV EXPL 25-2184
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
PROXIMEDIA NEDERLAND B.V., H.O.D.N. BeUp EN MKB CLICKSERVICE,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Proximedia,
gemachtigde: PUURNouta,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 juni 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van 16 januari 2026 met aanvullende producties van Proximedia;
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 16 mei 2023 is tussen partijen – na een telefonisch aanbod daartoe door Proximedia – een overeenkomst tot stand gekomen voor het maken van landingspagina’s, call tracking en SEA, met een looptijd van 24 maanden. Hiervoor factureert Proximedia maandelijks € 277,09 aan [gedaagde] .
2.2.
Op 7 februari 2024 zijn partijen een tweede overeenkomst aangegaan. Hiervoor is [gedaagde] iedere maand € 192,39 extra aan Proximedia verschuldigd.
2.3.
[gedaagde] heeft tot 1 september 2024 een betalingsachterstand laten ontstaan van € 1.877,92.
2.4.
Met ingang van 19 september 2024 heeft Proximedia haar werkzaamheden voor [gedaagde] opgeschort.

3.Het geschil

3.1.
Proximedia vordert – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 5.760,22 (bestaande uit de hoofdsom van € 4.655,92, de buitengerechtelijke incassokosten van € 698,38 en de wettelijke handelsrente tot 20 mei 2025 van € 405,92), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Proximedia legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] zijn betalingsverplichting voortvloeiend uit de overeenkomsten van 16 mei 2023 en 7 februari 2024 dient na te komen. Daarnaast zijn op grond van diezelfde overeenkomsten alle toekomstige maandelijkse termijnen op 17 oktober 2024 ineens en volledig opeisbaar geworden. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is gegrond op de overeengekomen (en van de wet afwijkende) regeling.
3.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de vordering en concludeert tot afwijzing daarvan. Hij voert daartoe aan dat de overeenkomst van 16 mei 2023 door misbruik van omstandigheden, misleiding en/of bedrog tot stand is gekomen. Ook was hij ontevreden over de dienstverlening van Proximedia. Om die reden heeft hij de overeenkomst bij aangetekende brief van 17 juli 2024 ontbonden. Verder is de vordering tot betaling van alle toekomstige maandelijkse termijnen ineens in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De door Proximedia geleverde inspanning is namelijk beperkt en van daadwerkelijke schade is nauwelijks sprake.

4.De beoordeling

Totstandkoming van de overeenkomst
4.1.
[gedaagde] heeft geen rechtsgevolg verbonden aan zijn stelling dat de overeenkomst van 16 mei 2023 door misbruik van omstandigheden, misleiding en/of bedrog tot stand is gekomen; ook niet nadat de kantonrechter hem daar op de mondelinge behandeling nadrukkelijk naar heeft gevraagd. De kantonrechter gaat daarom aan die stelling voorbij.
Ontbinding
4.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat in artikel 8.3 van de overeenkomsten is bepaald dat in geval van contractbreuk door [gedaagde] , anders dan op grond van een toerekenbare tekortkoming van Proximedia, alle toekomstige vorderingen uit hoofde van die overeenkomsten onmiddellijk en ineens opeisbaar worden. Zowel de achterstallige als de toekomstige termijnen zijn dus toewijsbaar, tenzij [gedaagde] de overeenkomsten op 17 juli 2024 terecht ontbonden heeft. Daarover wordt het volgende overwogen.
4.3.
Proximedia heeft betwist dat zij de ontbindingsverklaring van [gedaagde] van 17 juli 2024 ontvangen heeft. Of dat inderdaad zo is, kan in het midden blijven. Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Proximedia, waardoor die verklaring niet daadwerkelijk tot ontbinding van de overeenkomst(en) heeft geleid. De kantonrechter zal dit oordeel hieronder toelichten.
4.4.
In zijn verweer somt [gedaagde] verschillende tekortkomingen van Proximedia op. Eén daarvan betreft de domeinnaam en foto’s voor de website. Proximedia heeft [gedaagde] er bij e-mail van 31 mei 2023 al op gewezen dat hij zijn logo en afbeeldingen en de verhuistoken voor de domeinnaam binnen vijf dagen moest opsturen. Deed hij dat niet, dan zou Proximedia auteursrechtvrije afbeeldingen voor zijn website selecteren. Bij e-mail van 20 juni 2023 heeft Proximedia aan [gedaagde] laten weten dat de landingspagina’s gereed zijn en dat hij, als hij eigen beeldmateriaal wilde gebruiken, dat beeldmateriaal kon doorsturen. Ook heeft zij hem daarin nogmaals gevraagd om de verhuistoken van zijn domeinnaam op te sturen. Dit heeft [gedaagde] echter niet gedaan. Dat Proximedia vervolgens stockfoto’s op [gedaagde] ’s website heeft geplaatst en deze website aan een nieuwe domeinnaam heeft gekoppeld, kan haar daarom niet worden tegengeworpen.
4.5.
Een andere klacht betreft de inhoud van de landingspagina’s die Proximedia voor [gedaagde] heeft gemaakt. Volgens [gedaagde] zou die inhoud pas na zijn vakantie in juni 2023 worden besproken, hetgeen door Proximedia wordt betwist. De e-mail van [gedaagde] van 31 mei 2023 (in reactie op de e-mail van Proximedia van die dag, zie hiervoor onder 4.4) wijst er niet op dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Daarin schrijft [gedaagde] namelijk het volgende:
“Dit alles binnen 5 dagen aanleveren gaat niet lukken, vertrek zo met vakantie en ben 19 juni terug. Probeer deze week zoveel als mogelijk aan te leveren”
4.6.
Naar aanleiding van het verzoek van [gedaagde] van 18 oktober 2023 om hem te helpen met het aanpassen van de website heeft Proximedia zelfs nieuwe landingspagina’s voor hem gemaakt. Op haar e-mail van 17 januari 2024, waarin Proximedia vraagt of alles naar wens is of dat hij verder nog wijzigingen wenst, heeft [gedaagde] niet, althans niet aantoonbaar, gereageerd.
4.7.
Veel van de afspraken zijn volgens [gedaagde] telefonisch gemaakt en niet schriftelijk, zodat hij daar geen nadere onderbouwing van kan geven. Dit geldt ook voor de (door Proximedia betwiste) afspraak dat Proximedia na 17 januari 2024 iedere veertien dagen telefonisch contact met hem zou opnemen, wat niet is gebeurd. Gelet op de verdeling van de stelplicht en de bewijslast komt dit voor rekening en risico van [gedaagde] zelf.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Proximedia haar verbintenissen voortvloeiend uit de overeenkomsten van 16 mei 2023 en 7 februari 2024 is nagekomen. [gedaagde] had dus niet het recht om deze overeenkomsten op 17 juli 2024 te ontbinden.
4.9.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] heeft nagelaten Proximedia in gebreke te stellen, waardoor zij niet in verzuim is komen te verkeren. Ook dit staat aan ontbinding van de overeenkomsten door [gedaagde] in de weg.
Beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid
4.10.
[gedaagde] heeft verder nog aangevoerd dat betaling van alle toekomstige termijnen ineens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het uitgangspunt is dat partijen zich moeten houden aan de afspraken die zij samen hebben gemaakt. Daarom kan artikel 8.3 van de overeenkomsten (zie hiervoor onder 4.2) slechts in uitzonderlijke gevallen buiten toepassing worden gelaten. Het feit dat er gedurende zestien maanden geen tegenprestatie tegenover de betaling staat, is daarvoor in deze zaak niet voldoende. Dat Proximedia haar werkzaamheden vanaf 19 september 2024 heeft opgeschort, is namelijk het gevolg van de onterechte opschorting van de maandelijkse termijnen door [gedaagde] . Tot aan dat moment is Proximedia haar verbintenissen uit de overeenkomst(en) vanaf 31 mei 2023 nagekomen. Het beroep van [gedaagde] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt dus niet.
4.11.
Op grond van het voorgaande zal de hoofdsom van € 4.655,92 (bestaande uit de achterstallige termijnen van € 1.877,92 en de toekomstige termijnen van € 2.778,00) worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.12.
Proximedia vordert daarnaast de tussen partijen overeengekomen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het standpunt dat de daadwerkelijke kosten gelijk zijn aan die vergoeding heeft Proximedia te laat, namelijk pas op de mondelinge behandeling en niet in de dagvaarding, ingenomen. Dat standpunt wordt dus gepasseerd. De kantonrechter oordeelt dat de overeengekomen vergoeding onredelijk is, omdat deze hoger is dan het tarief dat is bepaald in het Besluit voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst daarom slechts het wettelijke tarief van € 590,59 toe.
Wettelijke handelsrente
4.13.
Over de hoofdsom wordt wettelijke handelsrente gevorderd zoals bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW. De kantonrechter oordeelt dat de overeenkomsten tussen partijen kwalificeren als handelsovereenkomsten in de zin van dat artikel. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de maandelijkse termijnen steeds binnen acht dagen na de respectievelijke factuurdata betaald moesten worden. De wettelijke handelsrente over de achterstallige maandelijkse termijnen is dus verschuldigd vanaf de dag na de vervaldatum van de respectievelijke facturen. Niet kan worden vastgesteld dat Proximedia de overeenkomsten met [gedaagde] als gevolg van zijn wanbetaling ontbonden heeft. De vergoeding van alle toekomstige termijnen ineens wordt daarom niet aangemerkt als een schadevergoeding, maar als een verbintenis voortvloeiend uit die overeenkomsten. Daarover kan dus eveneens de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW worden gevorderd. Proximedia heeft de toekomstige termijnen pas opgeëist toen zij haar vordering ten aanzien van de betalingsachterstand op 17 oktober 2024 uit handen heeft gegeven aan haar gemachtigde. De kantonrechter wijst de wettelijke handelsrente over de toekomstige termijnen daarom toe vanaf die datum.
Proceskosten
4.14.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Proximedia heeft een hoger bedrag aan verschotten gevorderd dan de daarvoor geldende forfaitaire tarieven. Dat hogere bedrag is niet toewijsbaar en zal worden gematigd. De proceskosten van Proximedia worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,73
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.530,73

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Proximedia te betalen:
  • een bedrag van € 1.877,92 aan achterstallige termijnen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW daarover vanaf de dag na de respectievelijke vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling;
  • een bedrag van € 2.778,00 aan toekomstige termijnen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW daarover vanaf 17 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.530,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.