ECLI:NL:RBZWB:2026:1744

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/02/436469 FA RK 25-3008
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • W.H.P. De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging partneralimentatie wegens gewijzigde financiële omstandigheden en werkelijke woonlasten

Partijen zijn gehuwd geweest van 1998 tot 2023 en de man is op grond van een echtscheidingsconvenant verplicht partneralimentatie te betalen aan de vrouw. De man verzoekt om verlaging van deze alimentatie wegens een daling van zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) door volledige arbeidsongeschiktheid en beëindiging van zijn dienstverband in maart 2025.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage en dat de draagkracht van de man de beperkende factor is. De man heeft een NBI van €2.294 per maand in 2025. Hij voert aan dat zijn werkelijke woonlasten hoger zijn dan het standaard woonbudget, onderbouwd met hypotheeklasten, VVE-bijdrage en gemeentelijke belastingen. De rechtbank erkent deze hogere woonlasten van €783 per maand als duurzaam en niet verwijtbaar.

Op basis van de formule voor draagkrachtberekening en rekening houdend met het fiscale voordeel van partneralimentatie, komt de rechtbank tot een draagkracht van €188 bruto per maand. De rechtbank wijzigt daarom de partneralimentatie met ingang van 1 december 2025 naar dit bedrag en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De partneralimentatie wordt verlaagd naar €188 bruto per maand met ingang van 1 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/436469 FA RK 25-3008
10 februari 2026
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W.H.P. de Jongh,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.M.M. Heesmans.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 10 juni 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 6;
- het op 22 juli 2025 ingekomen F9-formulier met bijlage 7;
- het op 18 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met producties 1 tot en met 6;
- de brief van mr. De Jongh van 30 december 2025, tevens houdende gewijzigd verzoek, met bijlagen 8 tot en met 14;
- het op 6 januari 2026 door mr. Heesmans ingediende F9-formulier met productie 7;
- de beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2023.
1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 13 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2.De feiten

2.1.
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 5 januari 1998 tot 24 augustus 2023;
- partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Ingevolge voormelde beschikking en het daaraan gehechte echtscheidingsconvenant moet de man nu (2026) – inclusief de wettelijke indexering – € 638,85 per maand betalen voor het levensonderhoud van de vrouw.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt nu, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- primair, de door de man te betalen partneralimentatie op nihil te stellen met ingang van 1 juni 2025;
- subsidiair, te bepalen dat de man met ingang van 1 juni 2025 een bijdrage van € 127,00 bruto per maand moet voldoen als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, althans een zodanige lagere bijdrage dan € 610,76 als de rechtbank juist acht en met een ingangsdatum als de rechtbank juist acht.

4.De beoordeling

Wijziging onderhoudsbijdrage
4.1.
De man verzoekt om de door partijen in het echtscheidingsconvenant overeengekomen onderhoudsbijdrage te wijzigen en een lagere bijdrage vast te stellen. De man voert als grond voor zijn verzoek aan dat sinds voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de in het convenant overeengekomen bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
4.2.
In dat verband stelt de man dat hij ten tijde van de echtscheiding een inkomen had dat gedeeltelijk uit arbeid en gedeeltelijk uit een WIA-uitkering afkomstig was. Na de echtscheiding is hij volledig ziek geworden. Zijn dienstverband is na twee jaar ziekte op 10 maart 2025 geëindigd. Sindsdien heeft hij alleen nog een WIA-uitkering. Zijn netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) is daardoor gedaald. De vrouw betwist niet dat de inkomsten van de man gewijzigd zijn. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die een onderzoek naar de behoefte van de vrouw aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de man (als onderhoudsplichtige) noodzakelijk maakt.
4.3.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte
4.4.
Ter zitting heeft de man bevestigd dat hij gelet op de door de vrouw verstrekte inkomensgegevens de behoeftigheid van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage niet (langer) weerspreekt. Gelet daarop heeft de man zijn primaire verzoek tot nihilstelling van de partneralimentatie tijdens de zitting ingetrokken, zodat dat verzoek niet hoeft te worden onderzocht en zal worden afgewezen.
4.5.
Tussen partijen staat vast dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud en dat de draagkracht van de man de beperkende factor is. Gelet hierop zal de rechtbank volstaan met het bepalen van de (hoogte van de) bij de man aanwezige financiële draagkracht om een onderhoudsbijdrage te voldoen.
Ingangsdatum
4.6.
Partijen hebben tijdens de zitting bevestigd het eens te zijn over de ingangsdatum van de gewijzigde onderhoudsbijdrage, namelijk 1 december 2025. De rechtbank zal in overeenstemming met die afspraak tussen partijen beslissen.
Draagkracht van de man
4.7.
De rechtbank gaat, met partijen, voor de bepaling van de draagkracht van de man uit van zijn financiële situatie in 2025. De financiële draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen werd in 2025 bij een NBI vanaf € 2.125,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,=)]. Voor lagere inkomens dan € 2.125,= per maand zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
4.8.
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. De man heeft volgens de overgelegde uitkeringsspecificaties van de maanden oktober, november en december 2025 een inkomen van € 3.024,34 bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten en rekening houdend met de fiscale behandeling van de eigen woning van de man met een onweersproken WOZ-waarde van € 218.000,=, becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 2.294,= per maand.
Werkelijke woonlasten
4.9.
De man voert aan dat hij duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het voor hem geldende woonbudget van € 688,= per maand (0,3 x NBI). De man heeft toegelicht dat hij een koopwoning heeft waarvoor hij maandelijks € 628,96 aan aflossing en rente betaalt. Ook moet de man maandelijks een bijdrage betalen van € 231,70 aan de vereniging van eigenaars (hierna: de VVE-bijdrage). Daarnaast bedragen de gemeentelijke belastingen en waterschapslasten op jaarbasis € 1.026,04 en reserveert de man een bedrag van € 91,= per maand aan onderhoudskosten. Rekening houdend met een fiscaal voordeel van € 190,=, becijfert de man zijn totale werkelijke woonlast op € 848,= per maand. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man niet heeft aangetoond dat sprake is van een aanmerkelijk hogere woonlast dan het voor hem geldende woonbudget en wijst erop dat eventuele hogere woonkosten van de man in ieder geval niet op haar moeten worden afgewenteld door een lagere onderhoudsbijdrage vast te stellen.
4.10.
De rechtbank overweegt dat uit de hiervoor genoemde aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie volgt dat de rechter rekening kan houden met duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten dan het woonbudget als vaststaat dat die lasten niet vermijdbaar zijn en het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. Volgens diezelfde aanbevelingen moet voor de woonlasten bij een koopwoning rekening worden gehouden met de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en waterschapslasten en onderhoudskosten.
4.11.
Tussen partijen staan de navolgende maandelijkse woonlasten van de man vast:
  • € 450,= voor de rente op de hypotheekschuld;
  • € 179,= voor de aflossing op de hypotheekschuld;
  • € 86,= voor de gemeentelijke belastingen en waterschapslasten.
4.12.
Voor de bepaling van de werkelijke woonlast van de man zal de rechtbank ook de maandelijkse VVE-bijdrage van € 232,= in aanmerking nemen. De rechtbank laat daarbij de door de man opgevoerde onderhoudskosten die hij begroot op een half procent van de WOZ-waarde per jaar echter buiten beschouwing. De rechtbank overweegt daarover het volgende. De vrouw heeft de met een bankafschrift onderbouwde stelling van de man dat hij maandelijks een bedrag van € 232,= als VVE-bijdrage moet betalen onvoldoende bestreden. Zij heeft er evenwel op gewezen dat de man niet inzichtelijk heeft gemaakt welke kosten met die VVE-bijdrage worden voldaan. Aangezien genoemde VVE-bijdrage onlosmakelijk aan de eigen woning van de man is verbonden en hij zich daarvan niet kan bevrijden, zijn die kosten naar het oordeel van de rechtbank onderdeel van zijn woonlast. De rechtbank gaat ervan uit dat met die bijdrage in ieder geval wordt voorzien in de gebruikelijke (opstal)verzekeringen en reserveringen voor (groot) onderhoud van het appartementencomplex waarvan de eigen woning van de man onderdeel vormt. Omdat de man niet inzichtelijk heeft gemaakt welke onderhoudskosten niet door de VVE-bijdrage worden gedekt en dus nog voor zijn rekening komen, kan zij niet beoordelen of een extra maandelijkse reservering van € 91,= per maand (0,5% x € 218.000 / 12) redelijk is. De toelichting van de man dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting rekent met onderhoudskosten aan de eigen woning van 1% van de WOZ-waarde per jaar, is daarvoor te algemeen en daarom onvoldoende toegespitst op de situatie van de man. De door de man in aanmerking genomen post voor onderhoudskosten zal de rechtbank daarom buiten beschouwing laten.
4.13.
Rekening houdend met een fiscaal voordeel van € 163,= komt de werkelijke woonlast van de man op een totaal van € 783,= per maand. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een duurzaam aanmerkelijk hogere woonlast dan het op dit moment voor de man geldende woonbudget van € 688,= per maand. De rechtbank is van oordeel dat met die hogere, werkelijke woonlast van de man rekening gehouden moet worden. Daarbij neemt de rechtbank ten eerste in aanmerking dat de woonlast van de man in absolute zin niet onredelijk hoog is. Gelet op de huidige woningmarkt is het niet vanzelfsprekend dat de man zijn woonkosten gemakkelijk zou kunnen verlagen door een alternatieve (huur)woning te betrekken. De rechtbank volgt dan ook niet het betoog van de vrouw dat de man bij zijn keuze voor een woning en de daarbij behorende woonlast onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn alimentatieverplichting jegens haar. Ten tweede wijst de rechtbank erop dat de draagkrachtvermindering van de man niet het gevolg is van een stijging van zijn woonlast, maar van een daling van zijn NBI. In dat verband is voor de rechtbank relevant dat partijen in het echtscheidingsconvenant op basis van het NBI van de man destijds (2023), voor het draagkrachtloos inkomen van de man een woonbudget van € 748,= tot uitgangspunt hebben genomen. Tegen die achtergrond acht de rechtbank de werkelijke woonlast van € 783,= niet dermate hoog dat de man daarvan had behoren af te zien.
4.14.
Kortom, naar het oordeel van de rechtbank is de werkelijke woonlast van de man van € 783,= per maand niet vermijdbaar en niet verwijtbaar, zodat daarmee onder de huidige omstandigheden bij de berekening van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden.
Draagkracht volgens formule
4.15.
De draagkracht van de man is uitgaande van voormeld NBI van € 2.294,= per maand en rekening houdend met de werkelijke woonlast van € 783,= dan volgens de formule € 121,= per maand.
4.16.
Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting, zodat hij meer ruimte heeft voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man op een bedrag van € 188,= bruto per maand.
4.17.
De rechtbank heeft een berekening gemaakt. Deze wordt als bijlage toegevoegd en maakt daarmee deel uit van deze beschikking.
Conclusie
4.18.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige bijdrage. De rechtbank zal de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 december 2025 wijzigen in € 188,= bruto per maand. Dat bedrag zal per 1 januari 2027 voor het eerst worden geïndexeerd als bedoeld in artikel 1:402a BW.

5.De beslissing

De rechtbank
wijzigt voormelde beschikking en het daaraan gehechte convenant als volgt:
5.1.
bepaalt dat de daarin overeengekomen onderhoudsbijdrage voor de vrouw met ingang van 1 december 2025 nader wordt vastgesteld op € 188,= (honderdachtentachtig euro) bruto per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling door de man aan de vrouw te voldoen;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.