Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
1.Het verloop van de procedure
C/02/444768 / JE RK 26-217
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 februari 2026.
- In zaaknummer
- Het op de zitting van 10 februari 2026 gedane mondelinge verzoek van de Raad;
- Het schriftelijke verzoek van de Raad, ingekomen op 11 februari 2026.
2.De feiten
3.De verzoeken
C/02/444768 / JE RK 26-217ingetrokken. De Raad heeft ter zitting verzocht de minderjarigen voorlopig onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van drie maanden en de minderjarigen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen, waarbij de Raad het in het belang van de minderjarigen vindt dat genoemde verzoeken worden toegewezen voor de duur van twee weken met aanhouding van het resterende deel daarvan. De Raad verzoekt om een brede machtiging af te geven. De Raad verzoekt in zijn schriftelijke verzoek zoals genoemd onder rechtsoverweging 1.1, om de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing toe te wijzen voor de duur van drie maanden, waarbij wordt verzocht de GI te machtigen de minderjarigen uit huis te plaatsen in een pleeggezin of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.De standpunten
5.De beoordeling
C/02/444768 / JE RK 26-217
C/02/444889 / JE RK 26-228
zo nodig, te worden onderzocht of en welke mogelijkheden er zijn voor een plaatsing elders dan bij de vader. Daarbij rekening houdend met het door de moeder ter zitting nadrukkelijk naar voren gebrachte standpunt dat de minderjarigen niet bij de oma vaderszijde dienen te worden geplaatst en waarbij voorop dient te staan dat een plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, vooral gelet op de leeftijd van de minderjarigen, in strijd met hun belangen lijkt te zijn. De GI kan – indien nodig – in deze weken met die brede machtiging overgaan tot overplaatsing van de minderjarigen naar een voor hen passendere plek.
[datum] 2026 om [uur]. Dit om zo snel mogelijk te bespreken welke mogelijkheden de GI ziet voor de tenuitvoerlegging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen. De kinderrechter verwacht van de Raad de op de zitting toegezegde nadere onderbouwing van de verzoeken.
6.De beslissing
C/02/444768 / JE RK 26-217
C/02/444889 / JE RK 26-228
voorlopigonder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 10 februari 2026 en tot 24 februari 2026;
[datum] 2026 om [uur] ;
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.