ECLI:NL:RBZWB:2026:1737

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444768 / JE RK 26-217 C/02/444889 / JE RK 26-228
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:257 BWArt. 1:265b lid 1 en 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarigen wegens ernstige bedreiging ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2017 en 2020. De minderjarigen zijn erkend door de vader, maar het ouderlijk gezag berust bij de moeder. De kinderen wonen momenteel bij de vader, maar er zijn ernstige zorgen over de opvoedsituaties bij beide ouders.

De kinderrechter constateert dat de minderjarigen al langere tijd opgroeien in een onveilige opvoedomgeving bij de moeder, met structureel gebrek aan rust en emotionele veiligheid, getuige huiselijk geweld en onvoldoende basiszorg. De vader, waar de kinderen nu verblijven, heeft zich onvoldoende gecommitteerd aan de noodzakelijke zorg en is recent veroordeeld voor rijden onder invloed. Ook zijn er zorgen over huiselijk geweld en het niet naleven van veiligheidsafspraken.

Gezien deze omstandigheden acht de kinderrechter een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarigen weg te nemen. Er wordt een brede machtiging verleend voor uithuisplaatsing, waarbij de kinderen bij de vader zonder gezag of in een pleeggezin kunnen worden geplaatst. De duur van de maatregelen wordt voorlopig vastgesteld op twee weken, waarna een zitting zal plaatsvinden om de situatie opnieuw te beoordelen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering mogelijk te maken, ook bij hoger beroep. De kinderrechter wijst het verzoek in een ander zaaknummer af omdat de Raad dit had ingetrokken. De procedure is gevoerd met gesloten deuren en de minderjarige [minderjarige 1] heeft ervoor gekozen niet deel te nemen aan een kindgesprek.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen voorlopig onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor twee weken wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/444768 / JE RK 26-217
C/02/444889 / JE RK 26-228
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. F. Pool uit Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In zaaknummer
C/02/444768 / JE RK 26-217
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 februari 2026.
  • In zaaknummer
  • Het op de zitting van 10 februari 2026 gedane mondelinge verzoek van de Raad;
  • Het schriftelijke verzoek van de Raad, ingekomen op 11 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. M.S. Krol, kantoorgenoot van mr. Pool;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
[minderjarige 1] is uitgenodigd voor een kindgesprek. Zij heeft ervoor gekozen niet naar het kindgesprek te komen en ook niet op een andere manier haar mening te geven.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
Bij beschikking van 30 juli 2020 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling [stichting] met ingang van 30 juli 2020 en tot 30 juli 2021.
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder, maar verblijven op dit moment bij de vader.

3.De verzoeken

3.1.
De Raad heeft ter zitting de verzoeken in zaaknummer
C/02/444768 / JE RK 26-217ingetrokken. De Raad heeft ter zitting verzocht de minderjarigen voorlopig onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van drie maanden en de minderjarigen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen, waarbij de Raad het in het belang van de minderjarigen vindt dat genoemde verzoeken worden toegewezen voor de duur van twee weken met aanhouding van het resterende deel daarvan. De Raad verzoekt om een brede machtiging af te geven. De Raad verzoekt in zijn schriftelijke verzoek zoals genoemd onder rechtsoverweging 1.1, om de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing toe te wijzen voor de duur van drie maanden, waarbij wordt verzocht de GI te machtigen de minderjarigen uit huis te plaatsen in een pleeggezin of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad stelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de minderjarigen zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat aan de gronden van een ondertoezichtstelling is voldaan. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarigen weg te nemen. De Raad heeft grote zorgen over de opvoedingssituatie bij de moeder. De minderjarigen verblijven daarom nu feitelijk bij de vader, maar de Raad geeft aan dat de vader zich in de afgelopen twee weken onvoldoende heeft kunnen committeren aan hetgeen er nodig is voor de minderjarigen, namelijk fysiek voldoende beschikbaar en aanwezig zijn en voldoende bereikbaar zijn voor de hulpverlening, hetgeen de al bestaande zorgen over de opvoedomgeving bij de vader versterkt. Bovendien is na afronding van het raadsonderzoek gebleken dat de gemaakte veiligheidsafspraken niet worden nageleefd. De Raad stelt zich op het standpunt dat de minderjarigen gelet op de ernstige zorgen niet nu kunnen worden teruggeplaatst bij de moeder, dat er verder zicht moet komen op de situatie bij de moeder, en dat er zicht moet komen op de opvoedsituatie bij de vader. Dat zicht moet er op hele korte termijn komen, aldus de Raad.
4.2.
Namens en door de moeder wordt aangegeven dat zij in kan stemmen met een voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarigen nu dit betekent dat er dan direct een jeugdbeschermer met de zaak aan de slag kan gaan. De moeder kan, er van uitgaande dat het oordeel is dat de minderjarigen niet nu bij haar kunnen worden teruggeplaatst, ook instemmen met een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van twee weken bij de vader, dan wel een pleeggezin (in het netwerk), wanneer de zaak dan binnen die twee weken weer op zitting komt en onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de minderjarigen niet worden geplaatst bij oma vaderszijde. Op die manier worden de rechten van de moeder beschermd en kan de GI zicht krijgen op de verschillende opvoedsituaties en het netwerk.
4.3.
De GI heeft aangegeven dat zij in een periode van twee weken zicht kunnen krijgen op de verschillende opvoedsituaties en het netwerk. De GI zal daarover met beide ouders in gesprek gaan en de GI de verschillende netwerken zoveel als mogelijk daarbij betrekken.

5.De beoordeling

In zaaknummer
C/02/444768 / JE RK 26-217
5.1.
Nu de Raad de verzoeken in dit zaaknummer heeft ingetrokken, kan de kinderrechter deze verzoeken niet verder inhoudelijk behandelen. De kinderrechter zal om die reden de verzoeken in dit zaaknummer afwijzen.
In zaaknummer
C/02/444889 / JE RK 26-228
Wettelijk kader
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:257 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.3.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.4.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op basis van lid 2 kan de machtiging ook verleend worden op verzoek van de Raad.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
De kinderrechter heeft, gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, een ernstig vermoeden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al langere tijd opgroeien in een opvoedomgeving bij de moeder, waarbij het hen structureel aan rust en emotionele veiligheid ontbreekt. Zij zijn getuige geweest van huiselijk geweld in de relatie van de ouders, er zijn zorgen over belasting van de minderjarigen door persoonlijke problematiek van de moeder en er zijn zorgen over de door de moeder aan de minderjarigen geboden basiszorg. De kinderen waren weinig op school, waren niet altijd passend bij het jaargetijde gekleed en hadden niet altijd eten bij zich De moeder is daarbij met momenten onvoldoende bereikbaar voor de school geweest. Door de school wordt een ontwikkelingsachterstand bij beide kinderen geconstateerd maar het lukt vervolgens niet om de benodigde hulp, zoals een dyslexieonderzoek, op te starten.
5.7.
Op dit moment verblijven de minderjarigen bij de vader zonder gezag. Beide minderjarigen hebben zorgelijke uitspraken gedaan over de opvoedingssituatie bij de moeder. [minderjarige 1] heeft op school duidelijk laten merken dat zij niet terug naar de moeder wil. Ook de school heeft zorgen geuit over de opvoedsituatie bij de moeder. Naar aanleiding van die zorgen is besloten dat de minderjarigen in afwachting van de beslissing van de kinderrechter op de door de Raad ingediende verzoeken bij de vader blijven. De kinderrechter is van oordeel dat de minderjarigen op grond van de zorgen die uit de rapportage van de Raad naar voren komen, op dit moment en onder de huidige omstandigheden niet bij de moeder kunnen worden teruggeplaatst.
Er zijn echter ook zorgen over de opvoedsituatie van de vader. De vader is vrij recent nog veroordeeld voor rijden onder invloed van verdovende middelen en de moeder uit ook zorgen over drugsgebruik door de vader. De Raad heeft hier onvoldoende onderzoek naar gedaan. De vader heeft zich, zo blijkt uit het rapport van de Raad, schuldig gemaakt aan huiselijk geweld, waarbij de minderjarigen aanwezig zijn geweest. [minderjarige 1] spreekt ook over een tik op de billen door de vader. De vader heeft zich in de afgelopen twee weken bovendien onvoldoende kunnen committeren aan hetgeen er nodig is voor de kinderen, namelijk fysiek voldoende aanwezig en beschikbaar zijn maar ook voldoende bereikbaar zijn voor de hulpverlening. Daardoor ontbreekt het zicht op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader. Gebleken is dat de veiligheidsafspraken die gemaakt zijn niet worden nageleefd. Er is namelijk wel degelijk contact geweest tussen de ouders; de vader heeft de moeder veelvuldig appberichten gestuurd. De vader was ook niet aanwezig op de zitting van 10 februari 2026, terwijl hij ook via de Raad op de hoogte is gebracht van de zittingsdatum en tijd.
5.8.
Doordat de minderjarigen op dit moment bij de vader zonder gezag verblijven en de minderjarigen op dit moment niet naar de moeder terug kunnen, is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst. De kinderrechter zal een brede machtiging afgeven, te weten een plaatsing bij de vader zonder gezag, dan wel een plaatsing in een (netwerk)pleeggezin. Het is aan de GI om de komende twee weken aanvullend zicht te krijgen op de opvoedsituatie bij de moeder en de vader en hun (on)mogelijkheden om de minderjarigen met eventueel ondersteuning van hulpverlening of de inzet van een veiligheidsplan conform hun behoeften te verzorgen en op te voeden, waarbij het netwerk van de ouders betrokken dient te worden. Daarbij dient,
zo nodig, te worden onderzocht of en welke mogelijkheden er zijn voor een plaatsing elders dan bij de vader. Daarbij rekening houdend met het door de moeder ter zitting nadrukkelijk naar voren gebrachte standpunt dat de minderjarigen niet bij de oma vaderszijde dienen te worden geplaatst en waarbij voorop dient te staan dat een plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, vooral gelet op de leeftijd van de minderjarigen, in strijd met hun belangen lijkt te zijn. De GI kan – indien nodig – in deze weken met die brede machtiging overgaan tot overplaatsing van de minderjarigen naar een voor hen passendere plek.
5.9
De kinderrechter zal de duur van beide maatregelen voorlopig bepalen op twee weken. Het resterende deel van het verzoek van de Raad wordt aangehouden tot de zitting van
[datum] 2026 om [uur]. Dit om zo snel mogelijk te bespreken welke mogelijkheden de GI ziet voor de tenuitvoerlegging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen. De kinderrechter verwacht van de Raad de op de zitting toegezegde nadere onderbouwing van de verzoeken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.1
De kinderrechter verklaart de beslissing ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
In zaaknummer
C/02/444768 / JE RK 26-217
6.1.
wijst de verzoeken van de Raad af;
In zaaknummer
C/02/444889 / JE RK 26-228
6.2.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
voorlopigonder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 10 februari 2026 en tot 24 februari 2026;
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met ingang van 10 februari 2026 en tot 24 februari 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking voor wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
houdt het verzoek voor het overige aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] bij de kinderrechter (mr. S.E. van de Merbel) van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in het gerechtsgebouw aan de Kousteensedijk 2 (4331 JE) te Middelburg voor de duur van 45 minuten in afwachting van verdere informatie van de GI en de Raad over de plaatsing van de minderjarigen;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor de Raad, (de advocaat van) de moeder en de GI voor de zitting van
[datum] 2026 om [uur] ;
6.7.
bepaalt dat de vader (als informant) apart zal worden opgeroepen;
6.8.
bepaalt dat de griffier de minderjarige, [minderjarige 1] , een uitnodiging zal sturen voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork, griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.