ECLI:NL:RBZWB:2026:1733

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444227 / JE RK 26-113
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Voorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige in pleegzorgvoorziening

De kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleegzorgvoorziening. De minderjarige verblijft sinds juni 2025 in een (crisis)pleeggezin en de GI acht verlenging noodzakelijk vanwege zorgen over de stabiliteit en beschikbaarheid van de ouders en de ongeschiktheid van het netwerkpleeggezin van de grootmoeder vaderszijde (oma vz).

Tijdens de zitting kwamen verschillende standpunten aan bod. De moeder erkende haar verslavingsproblematiek en wisselende beschikbaarheid, maar is gemotiveerd om aan herstel te werken. De vader wenst plaatsing binnen het eigen netwerk, bij voorkeur bij oma vz, en betwist de negatieve netwerkscreening. Oma vz ontkent onvoldoende neutraal te zijn en benadrukt haar bereidheid tot samenwerking en langdurige zorg.

De kinderrechter constateerde dat de netwerkscreening door de pleegzorgorganisatie onvoldoende zorgvuldig was, mede door beperkte gesprekken met oma vz en het ontbreken van verslagen van bezoekbegeleiding. Gezien de grote belangen en de hechtingsontwikkeling van de minderjarige acht de rechter nader onderzoek noodzakelijk. Daarom wordt het verzoek tot verlenging aangehouden en de GI opgedragen aanvullende informatie en een onafhankelijke herscreening te verzorgen.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging machtiging uithuisplaatsing aangehouden voor nadere informatie en onafhankelijke herscreening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444227 / JE RK 26-113
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Beschikking verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter te Hulst,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
mevrouw
[oma vz], grootmoeder vaderszijde
hierna te noemen: oma vz,
wonende te [woonplaats 2] , België.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 januari 2026;
  • de brief van oma vz, ontvangen op 3 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- twee vertegenwoordigers van de GI,
- oma vz van [minderjarige] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 17 juni 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] , zonder voorafgaand horen van de belanghebbende(n), voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 juni 2025 en tot 1 juli 2025. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 17 juni 2025 en tot 1 juli 2025. Het overige deel van de beslissingen is aangehouden tot aan de mondelinge behandeling op 30 juni 2025.
2.3.
Bij beschikking van 30 juni 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 1 juli 2025 en tot 17 september 2025. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 1 juli 2025 en tot 17 september 2025.
2.4.
Bij beschikking van 15 september 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verleng tot 15 september 2026. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten een plaatsing binnen het (crisis)pleeggezin of het netwerkpleeggezin van oma vz vaderszijde verleend tot 15 maart 2026.
2.5.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij een (crisis)pleegezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg tot einde ondertoezichtstelling, te weten tot 15 september 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI stelt zich op het standpunt dat een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk is en dat een plaatsing van [minderjarige] bij een neutraal pleeggezin de enige verantwoorde optie is. Volgens de GI zijn alle alternatieven, waaronder terugplaatsing bij de ouders en plaatsing bij oma vz zorgvuldig onderzocht en afgewogen maar niet voldoende gebleken. Ten aanzien van de moeder acht de GI haar beschikbaarheid en stabiliteit te wisselend, mede door terugvallen in middelengebruik, waardoor zij op dit moment onvoldoende betrouwbaar is voor de dagelijkse zorg. Bij de vader ziet de GI positieve betrokkenheid maar ook blijvende zorgen in de aansluiting bij [minderjarige] tijdens stressvolle momenten. Beide ouders worden daarom nog niet in staat geacht om de zorg zelfstandig op zich te nemen, al ziet de GI op termijn wel mogelijkheden voor uitbreiding van contact. De GI licht verder nog toe zij dat de zorgen en signalen van de negatieve uitkomst van de netwerkscreening bij oma vz herkent. De kern van de zorgen ligt volgens de GI in het ontbreken van neutraliteit, het onvoldoende kunnen dragen van de regie door de GI en de spanningen die ontstaan rondom de contacten met de moeder en de vader. Deze zorgen worden volgens de GI gedeeld door [hulpverlening] , de vorige jeugdbeschermer en de bezoekbegeleiding. Een second opinion of herscreening wordt niet zinvol geacht omdat een andere pleegzorgorganisatie naar verwachting tot dezelfde conclusies zou komen. Gelet op de aflopende crisisplaatsing en de noodzaak van stabiliteit voor [minderjarige] vindt de GI een plaatsing in een neutraal pleeggezin dat bereid is samen te werken met de ouders en hun netwerk de minst belastende en meest toekomstbestendige oplossing. Hiervoor is een verlengde machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg noodzakelijk.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting aangegeven dat een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder op dit moment nog niet verantwoord is. De moeder is open geweest over haar verslavingsproblematiek, de terugvallen die hebben plaatsgevonden en de wisselende beschikbaarheid die daaruit voortvloeide. De moeder ziet in dat zij op dit moment onvoldoende stabiel is om de dagelijkse zorg voor [minderjarige] op zich te nemen maar benadrukt dat zij gemotiveerd is om aan zichzelf te werken en perspectief te creëren op een terugkeer van [minderjarige] . De moeder heeft nu een mentor en bewindvoerder die (financiële) zaken voor haar regelen en haar helpen met praktische zaken en staat open voor verdere behandeling waaronder een detox en een mogelijk vervolg in een beschermde woonvorm. De moeder realiseert zich dat dit een langdurig traject is. Vanuit dat perspectief begrijpt zij ook dat [minderjarige] nu niet bij haar kan wonen hoe pijnlijk dat voor haar ook is. Ten aanzien van de plaatsing bij oma vz heeft de moeder een dubbel gevoel. Haar voorkeur gaat in beginsel uit naar plaatsing binnen de familie omdat zij erkent dat oma vz haar in het verleden altijd heeft bijgestaan en een belangrijke rol heeft gespeeld als crisisopvang. Tegelijkertijd herkent de moeder de door [hulpverlening] benoemde zorgpunten en begrijpt dat deze zorgen een rol kunnen spelen in de toekomst. De moeder geeft aan dat zij het het belangrijkste vindt dat [minderjarige] op een veilige plek verblijft en dat er perspectief blijft op terugkeer naar haar zodra zij daartoe in staat is. De samenwerking met de vader, oma vz en de GI zal hierbij heel belangrijk zijn al ziet de moeder ook dat die samenwerking op dit moment nog hersteld en opnieuw opgebouwd moet worden.
4.3.
Door en namens de vader wordt tijdens de zitting aangegeven dat een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing uitsluitend aanvaardbaar is als deze wordt gebruikt om [minderjarige] binnen zijn eigen netwerk te laten opgroeien, bij voorkeur bij zijn moeder (oma vz). De vader ervaart de huidige begeleide contacten als overmatig kritisch en belastend waardoor hij voortdurend het gevoel heeft “op zijn tenen te moeten lopen”. Volgens de vader verlopen de bezoeken inhoudelijk goed en is er sprake van een warme en positieve band met [minderjarige] . Dat [minderjarige] na weekenden bij oma soms ontregeld terugkomt wordt door vader verklaard vanuit het moeten schakelen na leuke activiteiten en niet als een signaal van onveiligheid of ongeschiktheid. Verder geeft de vader aan dat de netwerkscreening door [hulpverlening] onvoldoende zorgvuldig en te summier is gedaan omdat deze slechts op enkele korte gesprekken is gebaseerd en volgens hem onvoldoende recht doet aan de feitelijke betrokkenheid, stabiliteit en opvoedvaardigheden van oma vz (en stiefopa). De negatieve uitlatingen die oma vz zou hebben gedaan zijn volgens de vader uitingen van zorg en frustratie over de situatie van [minderjarige] en niet als een gebrek aan neutraliteit of samenwerkingsbereidheid. De vader benadrukt dat oma vz altijd bereid is geweest om samen te werken met de GI en de moeder en begeleiding te ontvangen waar nodig.
Primair verzoekt de vader dan ook om afwijzing van het verzoek tot plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin en verzoekt om een hernieuwde, onafhankelijke netwerkscreening bij een andere pleegzorgorganisatie. Subsidiair kan de vader akkoord gaan met een kortdurende verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Dit dan uitsluitend met de opdracht aan de GI om een nieuwe screening te laten verrichten om verdere wisselingen in een verblijf voor [minderjarige] te voorkomen. De vader hoopt dat [minderjarige] uiteindelijk terug kan keren naar de moeder als zij daartoe in staat blijkt. De vader wil zich inzetten voor een eerlijke en constructieve samenwerking met alle betrokkenen.
4.4.
Oma vz geeft tijdens de zitting desgevraagd aan dat zij bereid en in staat is om langdurig voor [minderjarige] te zorgen zolang haar gezondheid dat toelaat. Zij voelt zich sterk verbonden met [minderjarige] en heeft in de periode voorafgaand aan de ondertoezichtstelling structureel gefungeerd als crisisopvang zonder dat er destijds sprake was van zorgen of een formele screening. Oma vz benadrukt dat zij altijd in het belang van [minderjarige] heeft gehandeld en de zorg tussen ouders heeft gefaciliteerd juist om escalaties te voorkomen. Oma vz betwist dat zij onvoldoende neutraal zou zijn of niet zou kunnen samenwerken met de GI en de moeder. Zij stelt dat de netwerkscreening door [hulpverlening] onvolledig en onzorgvuldig is geweest omdat er slechts twee gesprekken met haar zijn geweest en meerdere geplande afspraken zijn geannuleerd door de screener. Zij herkent zich niet in de conclusies dat zij emotioneel niet beschikbaar zou zijn of slechts tijdelijk zorg zou kunnen bieden. Dat zij realistisch is geweest over haar leeftijd en gezondheid betekent volgens haar niet dat zij een einddatum aan haar inzet heeft verbonden. Oma vz geeft aan het deskundig oordeel serieus te nemen en bereid te zijn om aanwijzingen van de GI en omgangsbegeleiding op te volgen. Zij benadrukt dat zij ook de ouders nodig heeft in de opvoeding van [minderjarige] en dat samenwerking voor haar vanzelfsprekend is. Indien [minderjarige] bij haar zou worden geplaatst staat zij open voor begeleiding en toezicht.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
De beoordeling
5.3.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden aangehouden. Dit betekent dat het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal worden aangehouden tot de zitting van [datum] 2026. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.
5.4.
De kinderrechter stelt tijdens de zitting vast dat ten aanzien van oma vz een verkorte pleegzorgscreening door [hulpverlening] heeft plaatsgevonden. Tijdens de zitting heeft oma vz toegelicht hoe deze screening is verlopen. De wijze waarop deze screening heeft plaatsgevonden en de toelichting van oma vz daarop, heeft bij de kinderrechter vervolgens de nodige vraagtekens opgeroepen. Zo heeft moeder desgevraagd tijdens de zitting bevestigd dat zij en oma vz niet lijnrecht tegenover elkaar staan en dat oma vz voorafgaand aan de ondertoezichtstelling altijd voor [minderjarige] , maar ook voor moeder, heeft klaargestaan en dat er geen sprake was van onderlinge ruzie. Wel heeft de moeder aangegeven dat zij zich op dit moment onzeker voelt over de relatie met oma vz. Deze onzekerheid lijkt te zijn gevoed door constateringen van [hulpverlening] en/of de GI en niet door handelingen of uitspraken van oma vz richting moeder. Dat vindt de kinderrechter opvallend nu van de GI mag worden verwacht dat zij niet onnodig onrust veroorzaakt. De moeder heeft bovendien duidelijk gemaakt dat haar voorkeur uitgaat naar een plaatsing van [minderjarige] binnen de familie waarbij het voor haar minder van belang is bij welk familielid dat precies is. Onweersproken is gebleven dat oma vz de moeder altijd heeft bijgestaan ongeacht hoe turbulent de relatie tussen de vader en de moeder was. De kinderrechter is dan ook van mening dat het dan ook zeer onwenselijk zou zijn als door toedoen van de GI onnodige ruis ontstaat in deze relatie. Dit vooral ook nu vaststaat dat [minderjarige] niet alleen met moeder maar ook met oma vz een goede band heeft.
5.5.
Daarnaast stelt de kinderrechter vast dat oma vz reeds voor de ondertoezichtstelling nauw betrokken was bij [minderjarige] en er ook voor heeft gezorgd dat [minderjarige] naar haar toe kon op momenten dat de moeder tijdelijk de zorg niet zelf kon dragen. Tegen deze achtergrond acht de kinderrechter het begrijpelijk dat oma vz kritisch is over de situatie rondom de moeder. Tegelijkertijd heeft oma vz tijdens de zitting verklaard dat zij wil vertrouwen op het oordeel van de GI en zich ervan bewust is dat samenwerking met hen noodzakelijk is en dat zij zelf ook de GI nodig heeft. Oma vz heeft desgevraagd toegelicht dat zij in staat is om voor [minderjarige] te zorgen zolang dat nodig is maar dat zij niet in de toekomst kan kijken en niet kan voorspellen hoe lang zij gezond genoeg zal blijven nu zij 65 jaar oud is. Zij heeft daarbij aangegeven geen verwachting te hebben dat haar gezondheid op korte termijn een beperkende factor zal zijn. Oma vz is hierover wel realistisch en transparant geweest richting de GI. Dit beeld strookt echter niet met hetgeen door [hulpverlening] in de pleegzorgscreening is opgenomen. Verder is het de kinderrechter gebleken dat oma vz in het kader van de pleegzorgscreening slechts tweemaal met [hulpverlening] heeft gesproken. Gelet op de grote belangen die hier spelen, namelijk de vraag of [minderjarige] binnen een voor hem vertrouwde omgeving kan opgroeien dan wel zal moeten worden geplaatst in een voor hem onbekend pleeggezin vindt de rechtbank deze handelswijze onvoldoende zorgvuldig. Daarbij komt dat de GI tijdens de zitting heeft verklaard dat de zorgen uit de pleegzorgscreening ook zijn herkend door de vorige jeugdbeschermer. De vorige jeugdbeschermer is echter slechts van juni 2025 tot oktober 2025 betrokken geweest. Deze betrokkenheid was niet alleen beperkt in tijd maar deze jeugdbeschermer is bovendien niet op de hoogte van de huidige situatie. Dat binnen minder dan een jaar sprake is geweest van een tweede jeugdbeschermers baart de kinderrechter zorgen omdat [minderjarige] nog zeer jong is en in een bepalende fase van zijn hechtingsontwikkeling zit. Juist daarom is het van groot belang dat zorgvuldig en uitgebreid onderzoek wordt verricht en dat wordt beoordeeld of eventuele zorgpunten bij oma vz kunnen worden ondervangen.
5.6.
De kinderrechter constateert verder dat de GI haar oordeel ook baseert op de bevindingen van de bezoekbegeleiding. De kinderrechter heeft echter geen verslagen van deze bezoekbegeleiding ontvangen en vindt dit onzorgvuldig van de GI nu het oordeel van de GI hier in sterke mate op lijkt te steunen. Uit nadere toelichting tijdens de zitting is gebleken dat bij de weekendverblijven van [minderjarige] bij oma vz (eenmaal per maand) geen bezoekbegeleiding plaatsvindt. De beoordeling van de bezoekbegeleiding blijkt daarmee te zijn gebaseerd op één enkel gesprek. Daarbij merkt de kinderechter op dat het juist dezelfde bezoekbegeleider is geweest die in de periode voorafgaand aan de ondertoezichtstelling [minderjarige] naar oma vz bracht wanneer de moeder de zorg tijdelijk niet kon dragen vanwege een crisis.
5.7.
Al met al is de kinderrechter er op dit moment niet van overtuigd dat er geen andere optie bestaat dan een overplaatsing van [minderjarige] naar een voor hem onbekend pleeggezin. Dit geldt temeer nu het beoogde pleeggezin woont op [plaats 1] terwijl het leven van [minderjarige] zich thans afspeelt in [plaats 2] . De kinderrechter houdt het verzoek daarom aan tot de zitting van
[datum] 2026om de GI in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de volgende zitting nadere informatie over te leggen ten aanzien van de hierna te noemen punten en indien nodig het verzoek aan te vullen dan wel aan te passen.
  • Ziet de GI aanleiding om haar standpunten te herzien naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken in combinatie met de overwegingen van de kinderrechter zoals hierboven uiteengezet?
  • De huidige jeugdbeschermers dienen zelf een beeld te vormen van de huidige verhoudingen tussen vader, moeder en oma vz, ieders wensen over het verblijf van [minderjarige] zolang dat niet bij een van ouders is in kaart te brengen en zich daarbij te baseren op door hen zelf gevoerde gesprekken;
  • Met spoed een herscreening door een andere pleegzorg instelling te laten uitvoeren, waarbij die pleegzorginstelling de screening uitvoert zonder enige voorkennis, waarbij de kinderrechter zich realiseert dat de GI tijdens de volgende zitting daarvan enkel de eerste bevindingen gereed zal hebben;
  • Eventueel relevante verslagen van de betrokken hulpverlening waaruit de rol en betrokkenheid van oma vz blijkt op basis van gedegen onderzoek en/of regelmatige gesprekken;
  • Een nadere aanvulling indien de GI dit, gelet op het voorgaande, noodzakelijk acht.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg aan tot de zitting van
[datum] 2026 om [uur] ,welke behandeling wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, ten overstaan van mr. Voorn, kinderrechter, voor de duur van 45 minuten;
6.2.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor (de advocaat van) de moeder, (de advocaat van) de vader, oma vz en de GI;
6.3.
bepaalt dat de GI aanvullend dient te rapporteren zoals weergegeven in r.o. 5.7. op uiterlijk
10 maart 2026;
6.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 in tegenwoordigheid van Van Dijke, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.