ECLI:NL:RBZWB:2026:1730

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444303 / KG ZA 26/29
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over zorgregeling en vervangende toestemming vakantie minderjarige

De vrouw en de man, gezamenlijk gezagdragend over hun minderjarige kind, zijn in geschil over de zorgregeling en vakantieafspraken. Na beëindiging van hun relatie trachtten zij afspraken te maken, maar de man kwam herhaaldelijk terug op gemaakte afspraken, wat onzekerheid veroorzaakte voor het kind en de vrouw.

De vrouw vordert dat het kind tijdens carnaval bij haar verblijft en in de meivakantie van 25 april tot 2 mei 2026 bij haar blijft, inclusief vervangende toestemming om met het kind op vakantie naar Spanje te gaan. De man verleent geen toestemming voor de vakantie en wil vasthouden aan de reguliere weekendregeling.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het spoedeisend belang van de vrouw vaststaat en wijst haar vorderingen toe. Het belang van het kind wordt gediend met verblijf bij de vrouw tijdens carnaval en vakantie. De man is verstek gebleven, waardoor geen nadere toelichting of hulpverleningstraject kon worden besproken. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vrouw toe en verleent vervangende toestemming voor vakantie met het kind.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444303 / KG ZA 26/29
Vonnis in kort geding van 10 februari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Waalwijk,
tegen
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de vorderingen te adviseren.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties.
1.2
Op 9 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit vereisten.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen en heeft de voorzieningenrechter gehoord de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Daarnaast was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4
Ten slotte is bij vervroeging vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie het nu nog minderjarig kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
2.2
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3
De vrouw en de man zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
2.4
[minderjarige] woont bij de vrouw.
2.5
Tussen partijen is bij de rechtbank een bodemprocedure aanhangig (bekend onder het zaaknummer: C/02/424984), gericht op het bepalen van een zorgregeling.

3.De vorderingen

3.1
De vrouw vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat [minderjarige] in de periode van woensdag 11 februari 2026 na school tot donderdag 12 februari 2026 naar school bij de man verblijft en in de periode van donderdag 12 februari 2026 na school tot en met 27 februari 2026 voor school bij de vrouw verblijft;
II. te bepalen dat [minderjarige] in de periode van 25 april 2026 tot en met 2 mei 2026 bij de vrouw verblijft;
III. de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] op vakantie naar [plaats] in Spanje te gaan in de periode van 25 april 2026 tot en met 2 mei 2026;
IV. althans een zodanige beslissing te nemen die de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht.
3.2
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het navolgende aangevoerd. De vrouw en de man trachten sinds de beëindiging van hun relatie al twee jaar afspraken met elkaar te maken aangaande [minderjarige] . Zij hebben hiertoe tot november 2025 gesprekken met elkaar gehad bij mevrouw [persoon] . Partijen zijn volledig tot overeenstemming gekomen en mevrouw [persoon] heeft een ouderschapsplan in concept opgesteld. De vrouw heeft in dat kader toen ook de verklaring ondertekend met haar instemming tot het gezamenlijke gezag. De man heeft echter daarna aangegeven dit ouderschapsplan niet te willen ondertekenen, omdat hij zich niet kan verenigen met een aantal afspraken. Daaropvolgend heeft er een driegesprek plaatsgevonden bij de advocaat van de vrouw, waarbij partijen weer uitgebreid de verdeling van de vakanties hebben besproken. Daarbij is de verdeling van de carnavalsvakantie en de meivakantie besproken zoals de vrouw nu vordert. De man is echter in een telefoongesprek met de advocaat van de vrouw en in zijn e-mail van half januari 2026 daarop teruggekomen. Hij heeft aangegeven dat hij de wens heeft dat de weekendregeling in de vakanties kan blijven doorlopen en schoolvakanties om de reguliere weekendregeling worden gepland. De vrouw betreurt het dat de man telkens afspraken met de vrouw maakt en vervolgens terugkomt op deze afspraken. Dit brengt onzekerheid met zich mee voor [minderjarige] en de vrouw. Aangezien de man wil vasthouden aan de reguliere regeling zou [minderjarige] in het weekend van carnaval bij de man moeten verblijven. De man viert zelf geen carnaval en heeft bij de vrouw aangegeven dat hij nog veel moet klussen in zijn nieuwe huis. Daarom hebben partijen besproken dat [minderjarige] één nacht voorafgaand aan carnaval bij hem zal verblijven. De vrouw wil graag met [minderjarige] carnaval vieren. Zij vordert een beslissing hierover, mede om [minderjarige] duidelijkheid te kunnen geven of hij carnaval gaat vieren met de vrouw. De ouders van vrouw hebben ter viering van hun huwelijksjubileum in de meivakantie een vakantie geboekt in Spanje, met de vrouw, [minderjarige] en andere familieleden. De man is echter teruggekomen op de gemaakte afspraak dat [minderjarige] dan bij de vrouw zal verblijven en geeft zijn toestemming voor de vakantie niet. De vrouw heeft gezien het voorgaande spoedeisend belang bij haar vorderingen.
3.3
Op de overige stellingen van partijen en het advies van de Raad wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de vorderingen, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
Nadat de voorzieningenrechter tijdens de mondelinge behandeling heeft vastgesteld dat ten aanzien van de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is ter zitting tegen de man verstek verleend.
4.2
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vorderingen vast.
4.3
De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de vrouw toewijzen. De vrouw heeft haar vorderingen uitgebreid gemotiveerd. De voorzieningenrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat hij tijdens de carnaval bij de vrouw kan verblijven en dat hij in de meivakantie met de vrouw en haar familie op vakantie naar Spanje kan. Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat de vrouw en de advocaat van de vrouw alles in het werk hebben gesteld om tot overeenstemming met de man over de carnavals- en meivakantie te komen. Met de Raad vindt de voorzieningenrechter het een zorgelijke situatie dat de man telkens op gemaakte afspraken terugkomt. Het wisselende gedrag van de man creëert een onzekere situatie voor [minderjarige] , waar ook de vrouw hinder van ondervindt. De voorzieningenrechter acht dit niet in het belang van [minderjarige] . Doordat de man niet ter zitting is verschenen is er ook geen mogelijkheid om te bezien of een hulpverleningstraject voor ouders aangewezen kan zijn. Dit draagt niet bij aan een duurzame oplossing.
4.4
De voorzieningenrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1
bepaalt dat [minderjarige] in de periode van woensdag 11 februari 2026 na school tot donderdag 12 februari 2026 naar school bij de man verblijft en in de periode van donderdag 12 februari 2026 na school tot en met 27 februari 2026 voor school bij de vrouw verblijft;
5.2
bepaalt dat [minderjarige] in de periode van 25 april 2026 tot en met 2 mei 2026 bij de vrouw verblijft;
5.3
verleent aan de vrouw, ter vervanging van de toestemming van de man, toestemming om met [minderjarige] op vakantie naar [plaats] in Spanje te gaan in de periode van 25 april 2026 tot en met 2 mei 2026;
5.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit kort geding vonnis is gewezen en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 door mr. Van Leuven, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas als griffier.