ECLI:NL:RBZWB:2026:1725

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444012 / FA RK 26-237
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 lid 2 WvggzArt. 8:9 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verplichte depotmedicatie ondanks klacht verzoeker

Verzoeker, sinds 2014 bekend binnen de psychiatrie en behandeld onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), maakt bezwaar tegen de voortzetting van verplichte depotmedicatie. Hij stelt dat zijn actuele psychische toestand en gewijzigde omstandigheden geen noodzaak meer rechtvaardigen voor deze dwangmedicatie.

De rechtbank overweegt dat de zorgmachtigingen steeds zijn verlengd en dat volgens landelijke werkafspraken geen nieuwe beslissing nodig is zolang de vorm van verplichte zorg niet verandert. Verweerder betoogt dat de medicatie noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen, gezien eerdere terugvallen bij het staken van medicatie.

De rechtbank concludeert dat de voortzetting van de depotmedicatie proportioneel, subsidiariteit en doelmatig is, mede omdat verzoeker zonder medicatie ernstige ontregeling vertoont. De klacht wordt ongegrond verklaard en de beslissing van de klachtencommissie bevestigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de klacht ongegrond en bevestigt de voortzetting van verplichte depotmedicatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444012 / FA RK 26-237
Beschikking van 10 februari 2026 over een klacht ex artikel 10:7 lid 2 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen verzoeker,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.T.K. Davidse uit Middelburg.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[psychiatrisch ziekenhuis], hier vertegenwoordigd door het FACT-team, hierna te noemen verweerder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 15 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden in het gerechtsgebouw te Middelburg op 30 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, mr. Davidse;
  • de heer [persoon 1] , FACT-team, spv’er verweerder;
  • de heer [persoon 2] , FACT-team, spv’er, verweerder.

2.De feiten en omstandigheden

2.1.
Verzoeker is al sinds 2014 bekend binnen de psychiatrie (FACT-team Middelburg) en wordt al jarenlang ambulant behandeld in een onvrijwillig kader in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Hij is daarbij meermalen gedwongen opgenomen geweest.
2.2.
In december 2021 is verzoeker met een crisismaatregel opgenomen in [psychiatrisch ziekenhuis] te [plaats]. Tijdens de benodigde behandeling van verzoeker is hij uiteindelijk ingesteld op een intramusculair depot antipsychoticum. Hij werkt hier ook aan mee in het kader van de voorwaarden verbonden aan de zorgmachtiging op grond van de Wet Wvggz maar blijft regelmatig aangeven dit eigenlijk niet te willen.
2.3.
Een eerste zorgmachtiging ten aanzien van verzoeker is verleend voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 21 januari 2022 tot en met 21 juli 2022. In deze beschikking is verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie toegewezen. Daarna is er een crisismaatregel verleend van 12 december 2022 tot en met 15 december 2022. Aansluitend is de crisismaatregel voortgezet van 15 december 2022 tot en met 5 januari 2023. In alle genoemde beschikkingen is verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie toegewezen.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 januari 2023 is ten aanzien van verzoeker een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met 19 juli 2023. Ook in deze zorgmachtiging is het toedienen van medicatie opgenomen als vorm van verplichte zorg. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 juli 2023 is ten aanzien van verzoeker een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met 5 juli 2024 waarin opnieuw het toedienen van medicatie is vermeld als vorm van verplichte zorg. Op 25 juni 2024, aan verzoeker uitgereikt op dezelfde dag, is door de zorgverantwoordelijke besloten om aan verzoeker verplichte zorg te verlenen in de vorm van depotmedicatie (Aripiprazol). De zorgmachtiging met dezelfde verplichte zorg is steeds verlengd, laatstelijk tot en met 12 juni 2026.
2.6.
Op 27 november 2025 heeft verzoeker een klacht ingediend bij de klachtencommissie tegen de beslissing tot het toepassen van verplichte zorg van het toedienen van medicatie (het toepassen van dwangmedicatie) door een zorgverantwoordelijke, de heer [persoon 3] , van [psychiatrisch ziekenhuis] conform de Wet Wvggz.
2.7.
Op 5 december 2025 heeft de klachtencommissie deze klacht ongegrond verklaard in al zijn onderdelen.

3.Het verzoek en verweer

3.1.
Het verzoek van verzoeker ex artikel 10:7 lid 2 Wvggz Pro richt zich tegen de beslissing van de klachtencommissie van 5 december 2025, waarbij aan de rechtbank wordt verzocht om deze beslissing te vernietigen aangaande de klacht betreffende de toegepaste dwangmedicatie en het beklag gegrond te verklaren.
3.2.
Verweerder voert gemotiveerd verweer, strekkende tot ongegrondverklaring van de klacht van verzoeker.

4.Beoordeling

4.1.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de positieve actuele psychische gezondheidstoestand en de gewijzigde omstandigheden maken dat een beslissing tot toepassing van verplichte zorg, die ruim anderhalf jaar geleden is genomen niet zonder meer kan worden voortgezet. Volgens verzoeker is niet gebleken dat in de huidige situatie sprake is van ernstig nadeel, althans dat dit nadeel niet tot een aanvaardbaar risico is afgenomen. De noodzaak tot voortzetting van dwangmedicatie ontbreekt volgens verzoeker derhalve. Verzoeker verzoekt de rechtbank vast te stellen dat verweerder in de klachtzaak tegen de zorgverantwoordelijke, de heer [persoon 3] , onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld nu hij te lang depotmedicatie toegediend heeft gekregen. Voornoemde toediening was volgens verzoeker strijdig met de rechtsbeginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, doelmatigheid en veiligheid en maakten een ernstige inbreuk op zijn lichamelijke integriteit. Verzoeker verzoekt de rechtbank de verplichte zorg zowel procedureel als inhoudelijk als onrechtmatig te beschouwen. Dit te meer nu de minst ingrijpende vorm van behandeling dient te worden gebruikt en deze niet langer dan nodig moet worden toegepast.
4.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het inzetten van verplichte zorg in de vorm van depotmedicatie het laatste redmiddel was om het ernstig nadeel af te kunnen wenden en dat de beslissing die hierover is genomen voldoet aan alle overige criteria die rechtens zijn vereist waaronder ook de bepalingen van hoofdstuk 2 en dat er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8:9 Wvggz Pro om tot uitvoering van de verplichte zorg over te gaan. Het voortzetten van de huidige medicatiebehandeling, in de vorm van depotmedicatie, is ook noodzakelijk ter voorkoming van ernstig nadeel. Daarbij wordt door verweerder gewezen op het beloop van de ziektegeschiedenis van verzoeker waaruit blijkt dat perioden zonder medicatie of met onvoldoende geborgde medicatiebehandeling hebben geleid tot decompensatie, psychotische ontregeling en agressief gedrag met verstrekkende gevolgen voor zijn woonsituatie en functioneren. Het huidige stabiele functioneren van verzoeker waaronder het zelfstandig wonen en het opbouwen van structuur staat naar de overtuiging van verweerder in causaal verband met het gebruik van de depotmedicatie. Verweerder benadrukt dat in het verleden meerdere pogingen zijn gedaan met orale medicatie waaronder ook een oraal depot, maar dat verzoeker daarmee telkens op enig moment is gestopt, hetgeen heeft geleid tot een grote terugval zodanig dat hij uit zijn woning weg moest. Gelet hierop acht verweerder de keuze voor depotmedicatie noodzakelijk om therapietrouw te waarborgen. De maatregel is naar het oordeel van verweerder proportioneel en doelmatig. Daarbij verklaart verweerder dat de huidige dosering van de depotmedicatie in overleg met verzoeker en op basis van bloedspiegels stapsgewijs is verlaagd tot het laagst verantwoorde niveau. Hoewel erkend wordt dat verzoeker bijwerkingen ervaart, stelt verweerder dat de huidige depotmedicatie het meest gunstige bijwerkingenprofiel kent en dat deze bijwerkingen worden afgewogen tegen het aanzienlijke risico op ernstig nadeel bij het staken van de medicatie. Daarbij weegt zwaar dat verzoeker nu een aanvaardbare kwaliteit van leven heeft en dat behoud van deze stabiliteit van groot belang is. Verweerder is dan ook van mening dat de klachtencommissie terecht heeft geoordeeld dat aan de wettelijke criteria is voldaan en de klacht ongegrond is verklaard in al zijn onderdelen en verzoekt de rechtbank de beslissing van de klachtencommissie in stand te laten.
4.3.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de zorgverantwoordelijke de plicht had om verzoeker bij iedere aansluitende zorgmachtiging opnieuw verplichte zorg aan te zeggen, zoals verzoeker heeft geconcludeerd in zijn verzoekschrift. Volgens verzoeker is zijn huidige situatie zodanig veranderd dat de genomen beslissing van de zorgverantwoordelijke inmiddels te lang is geleden en niet meer overeenkomt met zijn huidige psychische gesteldheid en woonomstandigheden. Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat in de landelijke “werkafspraken aanvraag en uitvoering zorgmachtiging, versie 2.0” van het Ketencoördinatieteam Wvggz onder artikel 8.9 lid 1 het volgende staat vermeld:
“Bij verandering van de juridische titel terwijl de verplichte zorg die aan de betrokkene wordt verleend niet verandert, hoeft de zorgverantwoordelijke geen nieuwe beslissing te nemen en deze dus schriftelijk aan betrokkene te bevestigen. Zorgverantwoordelijke en/of geneesheer-directeuren toetsen regelmatig de noodzaak van het verlenen van verplichte zorg”.In de landelijke ‘werkafspraken aanvraag en uitvoering zorgmachtiging, versie 3.0’ van het Ketencoördinatieteam Wvggz onder artikel 8.9 lid 1 staat het volgende vermeld:

Is ook een nieuwe beslissing nodig bij wijziging van de juridische titel? Het is niet zinvol om betrokkene een nieuwe beslissing op grond van artikel 8:9 lid 1 te Pro verstrekken als de vorm van verplichte zorg, waartoe de beslissing legitimeert, niet verandert. Dit kan alleen maar tot verwarring bij betrokkene leiden en dit moet voorkomen worden. Wel is het van belang om de betrokkene in kennis te stellen van de nieuwe titel op basis waarvan hij verplichte zorg kan krijgen”.
4.4.
De rechtbank neemt hierbij in overweging dat er sprake is van een doorlopende zorgmachtiging bij verzoeker en is daarmee van oordeel dat op grond van de landelijke werkafspraken geen nieuwe beslissing conform artikel 8:9 Wvggz Pro genomen had hoeven te worden. De rechtbank legt dit hierna verder uit.
4.4.
De rechtbank overweegt dat wanneer een opvolgende zorgmachtiging wordt verleend, waarin de in de voorafgaande machtiging genoemde vormen van verlichte zorg opnieuw worden toegewezen, de onder de voorgaande zorgmachtiging bestaande situatie feitelijk zonder onderbreking wordt voortgezet. Bij de beoordeling van die opvolgende machtiging worden de vormen van zorg opnieuw getoetst, waarbij een betrokkene ook in de gelegenheid wordt gesteld om daartegen bezwaar te maken. Als de opvolgende zorgmachtiging vervolgens wordt verleend, dan is daarmee ook beslist dat de noodzaak van de voorheen verleende vormen van verplichte zorg nog bestaat en stemt de rechtbank in met het voortzetten van die verplichte zorg op de wijze waarop die zorg tot dan toe werd uitgevoerd. De ten behoeve van die uitvoering op grond van artikel 8:9 Wvggz Pro genomen beslissing behoudt dan zijn rechtskracht. De rechtbank is van oordeel dat er dan ook geen grond is om een zorgverantwoordelijke te verplichten om ten aanzien van die zorg een nieuwe beslissing te nemen. De rechtbank ziet op dit punt geen reden om af te wijken van hetgeen in de hiervoor genoemde werkafspraken hierover is vastgesteld.
4.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank samen met de klachtencommissie van oordeel dat voor voortzetting van de toediening aan verzoeker van de depotmedicatie na 12 juni 2025, toen deze beslissing op grond van de Wvggz werd genomen, geen nieuw besluit als bedoeld in artikel 8:9 Wvggz Pro noodzakelijk was. Blijkens de beschikking van 12 juni 2025 is op de zitting bovendien geen verweer gevoerd tegen de depotmedicatie maar is enkel aangegeven dat verzoeker graag zou zien dat de medicatie vanwege de bijwerkingen op termijn wordt aangepast of afgebouwd.
4.6.
De rechtbank overweegt dat uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting voldoende is gebleken dat het risico dat betrokkene zonder depotmedicatie ernstig zou ontregelen aanzienlijk is. Het verleden laat zien dat eerdere perioden zonder (adequate) medicatie hebben geleid tot een duidelijke verslechtering van het functioneren van verzoeker en tot situaties waarin hij dreigde alles wat hij had opgebouwd te verliezen, waaronder zijn woning. In het verleden vond verzoeker medicatie niet zinvol en wenselijk. Dat is nu ook zo. In het verleden is hij een aantal keren gestopt met medicatie met eerder genoemde gevolgen. Verder is gebleken dat orale medicatie in het verleden onvoldoende borging bij verzoeker bood, nu verzoeker daarmee op enig moment zelfstandig is gestopt. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het toepassen van depotmedicatie onder dwang noodzakelijk en proportioneel. Hoewel de bijwerkingen van de medicatie belastend zijn, weegt de rechtbank mee dat betrokkene thans een aanvaardbare kwaliteit van leven ervaart en dat de depotmedicatie bijdraagt aan stabiliteit in het leven van verzoeker. De bijwerkingen van de depotmedicatie wegen naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de voordelen er van.
4.8.
De rechtbank is verder van oordeel dat de verplichte depotmedicatie in het geval van verzoeker voldoet aan de eisen van doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Onweersproken is gesteld dat verzoeker met deze medicatie psychosevrij blijft, waardoor hij niet hoeft te worden opgenomen en zelfstandig kan blijven wonen in zijn nieuwe woning en beter voor zichzelf kan zorgen.
4.9.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van depotmedicatie aan verzoeker en dat bij die beslissing en de uitvoering hieraan (nog steeds) is voldaan aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Het verzoek wordt daarom ongegrond verklaard.
4.8.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart de klacht van verzoeker ongegrond.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 door mr. De Beer, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.