ECLI:NL:RBZWB:2026:1706

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
BRE 24/4062 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 47 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame arbeidsongeschiktheid Long Covid

Eiseres, werkgever van belanghebbende, maakt bezwaar tegen het besluit van het UWV om een loongerelateerde WIA-uitkering toe te kennen in plaats van een IVA-uitkering. Belanghebbende is volledig arbeidsongeschikt door Long Covid, maar het UWV stelt dat de beperkingen niet duurzaam zijn omdat verbetering binnen het eerste jaar mogelijk is.

De kern van het geschil betreft de toepassing en effectiviteit van de pacing-techniek als behandelwijze. Eiseres betoogt dat de beperkingen duurzaam zijn en dat de pacing-techniek onvoldoende is toegepast, terwijl het UWV stelt dat de techniek wel is toegepast door de bedrijfsarts en mogelijk ook door de fysiotherapeut, maar niet volledig is afgerond.

De rechtbank oordeelt dat pacing een erkende behandelmethode is en dat verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten. Het voortijdig stoppen van de fysiotherapie betekent niet dat de behandeling niet succesvol kan zijn. Daarom is er een redelijke verwachting van herstel binnen het eerste jaar, waardoor geen duurzame beperkingen kunnen worden aangenomen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het UWV heeft terecht de IVA-uitkering geweigerd en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter T. Peters op 17 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de IVA-uitkering bevestigd wegens niet-duurzame arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/4062 WIA

uitspraak van 17 maart 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [plaats 2] , eiseres,

gemachtigde: mr. drs. A. Jurg,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [belanghebbende] uit [plaats 1] (belanghebbende).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de
weigering om aan belanghebbende een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen.
1.1
Het UWV heeft met het besluit van 4 oktober 2023 (primair besluit) aan belanghebbende per 4 september 2023 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend. Eiseres was de werkgever van belanghebbende en heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Eiseres is van mening dat de beperkingen van belanghebbende duurzaam zijn en dat daarom een IVA-uitkering had moeten worden toegekend.
1.2.
Met het bestreden besluit van 15 maart 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en [persoon] namens het UWV. Na de zitting heeft de rechtbank het UWV verzocht nadere medische informatie aan te leveren. Bij brief van 25 juni 2025 heeft het UWV die nadere medische informatie verstrekt. Gemachtigde van eiseres heeft hier bij brief van 18 september 2025 op gereageerd. De rechtbank heeft daarna met instemming van partijen het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende is werkzaam geweest als medewerker kassa bij een [supermarkt] voor 24 uur per week. Voor dat werk is zij op 29 september 2021 uitgevallen vanwege een nasleep van een covid infectie.
2.1
Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat belanghebbende weliswaar volledig arbeidsongeschikt is, maar dat die arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is omdat verwacht mag worden dat in het eerste jaar verbetering van belanghebbende zal kunnen optreden. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is.
3. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht geen duurzame beperkingen bij belanghebbende heeft aangenomen.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beroepsgronden
4. Het UWV en eiseres zijn het erover eens dat belanghebbende aan Long Covid leidt en dat dat leidt tot verminderde functionele mogelijkheden. Omdat er arbeidskundig onvoldoende voorbeelden van werk te vinden zijn die bij deze mogelijkheden passen, zijn ze het er ook over eens dat belanghebbende volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WIA.
4.1
Het UWV en eiseres verschillen van mening over de vraag of de vastgestelde beperkingen duurzaam zijn. Eiseres is van mening dat dit het geval is, terwijl het UWV van mening is dat verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten en dat de verwachting dat dit in het eerste jaar zal gebeuren, redelijk tot goed is. Die verwachting baseert het UWV op het standpunt dat met toepassing van de pacing-techniek kan worden voorkomen dat belanghebbende terugvalt in energieniveau. Er is nog niet gebleken dat de pacing-techniek bij belanghebbende is toegepast en door toepassing hiervan is het niet uitgesloten dat er een meer dan geringe kans is dat de belastbaarheid zal toenemen.
4.2
Eiseres voert aan dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat verwacht mag worden dat de belastbaarheid van belanghebbende zal verbeteren. Het UWV hanteert ten onrechte als criterium dat niet uitgesloten is dat er een meer dan geringe kans op herstel is. Ten tijde van de primaire beoordeling door het UWV waren er geen behandelmogelijkheden voor Long Covid bekend, zodat verbetering uitgesloten was. Voorts wijst eiseres er op dat als er al verbetering denkbaar was, er geen evidence-based behandeling van Long Covid is. Anders dan het UWV is eiseres van mening dat bij belanghebbende uitgebreid aandacht is geweest voor pacing en klachtencontigente benadering door zowel de fysiotherapeut, de ergotherapeut, POH-GGZ en de psycholoog. Die aandacht heeft onvoldoende resultaten opgeleverd.
4.3
In een reactie van het UWV van 21 maart 2025 geeft [verzekeringsarts b&b] aan dat de bedrijfsarts pacing voor belanghebbende heeft gehanteerd, maar dat niet is gebleken dat de ergotherapeut en de fysiotherapeut de pacingtechniek bij belanghebbende hebben toegepast. Als dat wel gebeurt, is meer dan geringe verbetering van de belastbaarheid te verwachten.
4.4
Eiseres heeft vervolgens met een rapportage van 9 april 2025 van [verzekeringsarts] het standpunt ingenomen dat de bedrijfsarts pacing heeft toegepast en dat gelet op de richtlijnen voor fysiotherapeuten en ergotherapeuten aangenomen moet worden dat ook zij pacing bij belanghebbende hebben toegepast.
4.5
Het UWV heeft gelet op dit standpunt van [verzekeringsarts] de fysiotherapeut om nadere informatie over de behandeling gevraagd. Uit die informatie blijkt wel dat de belasting van belanghebbende stapsgewijs is opgebouwd, maar het UWV stelt dat pacing meer is dan stapsgewijze opbouw. De techniek bestaat uit vijf stappen en er is niet gebleken dat die vijf stappen daadwerkelijk zijn toegepast. Daarbij is de fysiotherapie-behandeling gestopt voordat de behandeling volledig was afgerond. In de brief van 26 juni 2025 geeft het UWV aan dat er daarom geen aanleiding is om terug te komen op het standpunt.
4.6
In een reactie van 18 september 2025 geeft de verzekeringsarts van eiseres ten slotte aan dat uit de informatie van de fysiotherapeut blijkt dat hij weliswaar het woord pacing niet noemt, maar dat die techniek wel door hem wel is toegepast. Daarbij gaat de verzekeringsarts ervan uit dat de behandeling wel volledig is geweest omdat die behandeling ook kan eindigen als iemand voldoende in staat is om de geleerde vaardigheden zelf in stand te houden. De conclusie van deze verzekeringsarts is dan ook dat de fysiotherapeut in voldoende mate de pacingtechniek heeft toegepast.
Het oordeel van de rechtbank
5. Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij belanghebbende nog verbetering mogelijk is en zo ja, op de vraag of de pacingtechniek in voldoende mate is toegepast. Bij die laatste vraag zijn eiseres en het UWV het er wel over eens dat de bedrijfsarts die techniek heeft toegepast om tot re-integratie van belanghebbende te komen, maar verschillen ze van mening over de vraag of de fysiotherapeut van belanghebbende die techniek (volledig) heeft toegepast.
5.1
Partijen beschrijven pacing als een behandeltechniek waarbij een patiënt gedoseerd steeds verder wordt belast en waarbij niet tijdgestuurd, maar klachtencontigent en onder begeleiding van een deskundige wordt gestuurd. Het gaat derhalve om doseren van de inspanningen aan de hand van door de patiënt aangegeven grenzen. Door die grenzen niet te overschrijden, wordt geleidelijk een steeds hogere belasting mogelijk. Eiseres en het UWV zijn van mening dat de bedrijfsarts, ook al voor het primaire besluit, deze techniek van doseren en begrenzen heeft toegepast, ook al wordt dat in de rapportage van de bedrijfsarts geen pacing genoemd. Tussen partijen staat ook vast dat pacing een mogelijke behandelmethode voor de gevolgen van Long Covid is. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat ten tijde van de datum in geding een behandelmogelijkheid bestond en dat de beroepsgrond van eiseres dat er toen geen behandelmogelijkheden voor Long Covid bekend waren, niet slaagt.
5.2
De rechtbank gaat ervan uit dat naast de bedrijfsarts ook de fysiotherapeut bij belanghebbende een behandeling is gestart, die als pacing moet worden gezien. Vast staat verder dat die pacingtechniek door de fysiotherapeut niet is afgemaakt omdat belanghebbende op enig moment met de behandeling is gestopt. Eiseres stelt dat de behandeling desalniettemin wel volledig is geweest, omdat die behandeling ook kan eindigen als iemand voldoende in staat is om de geleerde vaardigheden zelf in stand te houden. De rechtbank deelt die opvatting niet: bij de pacingtechniek hoort begeleiding en advisering door een deskundige. Daarbij is belanghebbende niet met de begeleiding gestopt omdat zij zelf de geleerde vaardigheden kon voortzetten, maar omdat de verzekering verdere behandelingen niet meer wilde vergoeden. Het voortijdig beëindigen van de behandeling betekent dat niet vaststaat dat de pacingbehandeling niet succesvol zou kunnen zijn, waarbij van belang is dat beide partijen van mening zijn dat pacing op zichzelf een geschikte behandeltechniek voor Long Covid is. Gelet daarop is verbetering van de belastbaarheid niet uitgesloten en is er een redelijke verwachting dat dit in het eerste jaar zal kunnen gebeuren. De rechtbank ziet dan ook geen reden om duurzame beperkingen aan te nemen. Het beroep is dus ongegrond.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht de IVA-uitkering heeft geweigerd.
6.1.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiseres het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier, op 17 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
Volgens artikel 47, eerste lid van de Wet WIA ontstaat het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de verzekerde die ziek wordt indien:
a.hij de wachttijd heeft doorlopen;
b.hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; en
c.er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.