Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Rijksweg A58 te ’s-Heer Arendskerke op 8 januari 2024 om 11:35 uur. Betrokkene stelde in beroep dat hij geen mobiel apparaat vasthield, maar een polshorloge droeg en dat de locatie van de overtreding onjuist was vermeld.
De officier van justitie verklaarde het eerste beroep ongegrond, waarna betrokkene in hoger beroep ging bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 2 januari 2026 was betrokkene niet aanwezig. De kantonrechter baseerde zich op de verklaringen van de verbalisanten, die als voldoende bewijs gelden in zaken op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).
De kantonrechter oordeelde dat de aangevoerde bezwaren van betrokkene onvoldoende aanleiding gaven om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen. Er was geen foto van de overtreding, maar dat deed niet af aan de bewijskracht van de verbalisanten. De boete werd daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wegens vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden wordt ongegrond verklaard.