ECLI:NL:RBZWB:2026:1682

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443921 / JE RK 26-55
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArt. 810 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging omgangsregeling met begeleide omgang voor minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot wijziging van de omgangsregeling tussen een minderjarige en zijn vader, op grond van artikel 1:265g BW. De minderjarige woont bij zijn moeder en staat sinds juni 2024 onder toezicht van de GI. De omgang tussen vader en kind vindt momenteel begeleid plaats, eenmaal per twee weken een uur.

De GI verzoekt de omgangsregeling vast te leggen en te wijzigen in begeleide omgang om de week, vanwege de behoefte van de minderjarige aan veiligheid, voorspelbaarheid en aanwezigheid van zijn moeder. De vader en moeder ondersteunen het verzoek, evenals de Raad voor de Kinderbescherming. De vader wenst bij ruimte uitbreiding van de omgang onder regie van hulpverlening.

De kinderrechter oordeelt dat de omstandigheden zijn gewijzigd door het afwijzen van het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag en het intrekken van de verlenging van de ondertoezichtstelling. De huidige begeleide omgang wordt als minimaal maar noodzakelijk beschouwd en wordt vastgelegd. Uitbreiding is mogelijk in overleg met hulpverlening, die ook de overdracht bij beëindiging van de ondertoezichtstelling zal begeleiden. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter wijzigt de omgangsregeling en legt vast dat de minderjarige en zijn vader om de week één uur begeleide omgang hebben, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443921 / JE RK 26-55
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de omgangsregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. P.J.B. Dekker uit Goirle,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren uit Gilze.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat;
  • de advocaat van de moeder
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Hoewel de moeder correct is opgeroepen, is zij niet op de zitting verschenen. Van de advocaat van de moeder heeft de kinderrechter vernomen dat de moeder met [minderjarige] naar de Spoedeisende Hulp moest gaan en niet naar de rechtbank zal komen. De moeder vindt het belangrijk dat de zaak nu wel op zitting wordt behandeld. De kinderrechter heeft besloten de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de moeder.
1.4.
Het verzoek van de GI in deze zaak hangt nauw samen met haar verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in de zaak met kenmerk C/02/441734 / JE RK
25-1990 en het verzoek van de vader tot verkrijging van het gezamenlijk gezag in de zaak met kenmerk C/02/387281 / FA RK 21-3149. Daarom zijn deze verzoeken gelijktijdig op een zitting behandeld. Op het verzoek van de GI tot verlening van de ondertoezichtstelling en het verzoek van de vader over het gezag wordt in afzonderlijke beschikkingen beslist.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 15 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 26 februari 2026 en de beslissing over het resterende deel van het verzoek aangehouden. [minderjarige] is sinds 26 juni 2024 onder toezicht van de GI gesteld.
2.4.
De rechtbank heeft bij beschikking van 4 september 2025 in de zaak met kenmerk C/02/387281 / FA RK 21-3149 het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen. Bij beschikking van diezelfde datum in de zaak met kenmerk C/02/434238 / JE RK 25-680 heeft de kinderrechter de op dat moment geldende omgangsregeling gewijzigd, in die zin dat is bepaald dat de belmomenten tussen de vader en [minderjarige] worden stopgezet en dat de verdere invulling van de omgang tussen [minderjarige] en de vader plaatsvindt onder regie van de GI.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de kinderrechter om op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang tussen [minderjarige] en de vader te wijzigen, in die zin dat [minderjarige] en vader om de week op woensdag voor de duur van één uur begeleide omgang hebben.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. Bij de beschikking van
15 december 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van twee maanden verlengd en heeft de kinderrechter de beslissing op het verzoek van de GI voor de overige vier maanden aangehouden. Inmiddels staat [minderjarige] sinds anderhalf jaar onder toezicht van de GI.
Bij beschikking van 4 september 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de belmomenten tussen vader en [minderjarige] worden stopgezet en dat de verdere invulling van de omgang tussen [minderjarige] en de vader plaatsvindt onder regie van de GI. In het kader van de ondertoezichtstelling ontvangen [minderjarige] en zijn ouders hulpverlening vanuit [hulpverlening] . In januari 2025 is [hulpverlening] gestart met het opbouwen van begeleid contact tussen [minderjarige] en de vader. Dit traject is anders verlopen dan verwacht, omdat [minderjarige] meer tijd nodig heeft om veiligheid en voorspelbaarheid te ervaren vanuit zijn vader. Ook heeft [minderjarige] een grote behoefte aan aanwezigheid van zijn moeder. Er zijn kleine stapjes gezet in de uitbreiding van de omgang. [minderjarige] en de vader hebben nu iedere twee weken op woensdagmiddag voor de duur van één uur begeleide omgang. Om duidelijkheid en voorspelbaarheid te creëren voor [minderjarige] , verzoekt de GI de begeleide omgang vast te leggen in een beschikking. De GI vindt dit ook belangrijk omdat zij het verzoek tot verlenging van ondertoezichtstelling met nog eens vier maanden in de zaak met kenmerk C/02/441734 / JE RK 25-1990 intrekt, indien de rechtbank het verzoek van de vader tot verkrijging van het gezamenlijk gezag in de zaak met kenmerk C/02/387281 / FA RK 21-3149 afwijst. Indien de vader wel zal worden belast met het gezamenlijk gezag, maakt de GI zich zorgen dat [minderjarige] klem en verloren zal raken tussen zijn ouders. De GI wil door middel van dit verzoek tot wijziging van de omgangsregeling [minderjarige] beschermen, om te bereiken dat hij contact blijft houden met zijn vader, waarbij het tempo en de ontwikkeling van [minderjarige] leidend moeten zijn. Indien de ondertoezichtstelling niet verder wordt verlengd, zal de GI de hulpverlening aan [minderjarige] en de ouders op zorgvuldige wijze overdragen aan de Toegang van de gemeente [geboorteplaats] . Vanuit de Toegang zal dan een procesregisseur worden aangesteld die in het vrijwillig kader erop zal toezien dat het traject bij [hulpverlening] blijft doorlopen, ondanks het einde van de ondertoezichtstelling.
4.2.
Door en namens de vader is naar voren gebracht dat hij instemt met het verzoek van de GI tot wijziging van de omgangsregeling. Indien het verzoek van de vader om het gezag over [minderjarige] wordt afgewezen en als gevolg daarvan het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt ingetrokken, is het goed dat er een basis is voor het contact tussen [minderjarige] en de vader. Wel vindt de vader het belangrijk dat de huidige omgang onder regie van [hulpverlening] verder kan worden uitgebreid. Indien er bij [minderjarige] ruimte is voor opbouw, heeft de vader graag een meer uitgebreide omgang. Mogelijk kan onder regie van [hulpverlening] worden toegewerkt naar onbegeleide omgang.
4.3.
Namens de moeder is aangegeven dat zij het verzoek van de GI tot wijziging van de omgangsregeling ondersteunt.
4.4.
De Raad staat positief tegenover het verzoek van de GI tot wijziging van de omgangsregeling. De Raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat hij contact heeft met zijn vader. [minderjarige] reageert goed op de vader. Weliswaar is de duur van de omgangsmomenten nog maar minimaal uitgebreid, maar er is wel een positieve ontwikkeling zichtbaar. De Raad acht het van groot belang dat het contact tussen [minderjarige] en de vader doorloopt, ook als de ondertoezichtstelling eindigt, en dat de omgang wordt begeleid door [hulpverlening] . Indien [hulpverlening] vanuit haar professionele blik van oordeel is dat er voldoende basis is om de omgang uit te breiden, kan die uitbreiding er volgens de Raad komen.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. In het tweede lid van dit wetsartikel is geregeld dat de kinderrechter op verzoek van onder meer de GI de in het eerste lid genoemde beslissing kan wijzigen als daarna de omstandigheden zijn gewijzigd. Op grond van artikel 1:265g lid 3 BW geldt een dergelijke omgangsregeling zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd als een reguliere omgangsregeling.
5.2.
Bij beschikking van 4 september 2025 in de zaak met kenmerk C/02/434238 / JE RK 25-680 heeft de kinderrechter de op dat moment geldende omgangsregeling gewijzigd, in die zin dat is bepaald dat de belmomenten tussen de vader en [minderjarige] worden stopgezet en dat de verdere invulling van de omgang tussen [minderjarige] en de vader plaatsvindt onder regie van de GI. Uit de stukken en wat op de zitting is besproken, blijkt dat [minderjarige] en de vader op dit moment één keer per veertien dagen op woensdag omgang met elkaar hebben voor de duur van één uur en dat deze omgang wordt begeleid door [hulpverlening] .
5.3.
Bij beschikking van 5 februari 2026 in de zaak met kenmerk C/02/387281 / FA RK 21-3149 beslist de rechtbank dat het verzoek van de vader tot verkrijging van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] wordt afgewezen, om de redenen zoals in die beschikking zijn vermeld. Dit heeft tot gevolg dat de GI het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling intrekt en dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] eindigt per 26 februari 2026. De kinderrechter is van oordeel dat hiermee sprake is van een wijziging van de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 1:265g lid 2 BW. De GI kan daarom in haar verzoek worden ontvangen. De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat wordt gewaarborgd dat de omgang zoals die op dit moment onder begeleiding van [hulpverlening] plaatsheeft, doorloopt gedurende het restant van de ondertoezichtstelling en ook daarna. Voor de ontwikkeling van [minderjarige] is het namelijk belangrijk dat hij niet alleen met zijn moeder, maar ook met zijn vader een goed en geregeld contact heeft.
5.4.
Uit het hiervoor staande blijkt dat de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk acht dat de huidige begeleide omgang in een beschikking wordt vastgelegd. Het gaat wel om een minimale omgangsregeling, die er op neer komt dat [minderjarige] en zijn vader gedurende één uur per veertien dagen begeleide omgang met elkaar hebben. De kinderrechter ziet op dit moment geen mogelijkheid om een meer uitgebreide omgangsregeling vast te stellen. [minderjarige] heeft namelijk meer tijd nodig om veiligheid en voorspelbaarheid vanuit zijn vader te ervaren. [minderjarige] heeft ook een grote behoefte aan de aanwezigheid van zijn moeder. Voor een eventuele verdere uitbreiding van de omgang is het tempo dat [minderjarige] aankan bepalend. De omgang dient te passen bij de leeftijd, draagkracht en ontwikkeling van [minderjarige] . Het staat de ouders in samenspraak met [hulpverlening] vrij om een ruimere omgangsregeling af te spreken, indien [hulpverlening] daartoe de mogelijkheid ziet. [hulpverlening] dient erop toe te zien dat de omgang verder wordt uitgebreid indien en voor zover het belang van [minderjarige] dat toestaat. De kinderrechter benadrukt hierbij dat de GI op de zitting heeft toegezegd dat zij de hulpverlening bij een einde van de ondertoezichtstelling op zorgvuldige wijze zal overdragen aan de Toegang van de gemeente [geboorteplaats] .
Vanuit de Toegang zal dan een procesregisseur worden aangesteld die in het vrijwillig kader erop zal toezien dat de omgangsbegeleiding voor [minderjarige] en de ouders vanuit [hulpverlening] blijft doorlopen, ondanks het einde van de ondertoezichtstelling.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter vindt dit van belang voor [minderjarige] en de vader.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijzigt de beschikking over de omgangsregeling en bepaalt deze als volgt:
- de vader en [minderjarige] hebben één keer per veertien dagen op woensdag begeleide omgang met elkaar voor de duur van één uur, met inachtneming van hetgeen hierboven onder 5.4 is overwogen;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.