ECLI:NL:RBZWB:2026:1675

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11550768 \ MB VERZ 25-107
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.H.C. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verkeersboete wegens onjuist signaleren op Deltaweg gedeeltelijk gegrond

Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het geven van signalen op een andere wijze dan toegestaan op de Deltaweg (N256) te Kats op 14 januari 2024. Betrokkene stelde dat zij de gedraging niet had verricht en was onduidelijk over de overtreding. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.

De kantonrechter oordeelde dat het beroep te laat was ingediend, aangezien de termijn van zes weken was overschreden. Echter, bijzondere omstandigheden zoals de zorg voor een zieke vriend en een echtscheiding maakten dat het te late beroep niet aan betrokkene kon worden toegerekend, waardoor het beroep ontvankelijk werd verklaard.

Inhoudelijk vond de kantonrechter dat de verklaring van twee verbalisanten voldoende bewijs leverde dat de overtreding had plaatsgevonden. Betrokkene erkende op de pleeglocatie te zijn geweest, maar ontkende de overtreding. De kantonrechter hechtte meer waarde aan de verklaringen van de verbalisanten en zag geen reden om de boete te matigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard en de boete bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
zaaknummer.: 11550768 \ MB VERZ 25-107
CJIB-nummer: [cjib-nummer]
uitspraakdatum: 16 januari 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 2 januari 2026. Namens de officier van justitie is verschenen [zittingsvertegenwoordiger] (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: signalen geven in een ander geval of op andere manier dan mag op de Deltaweg (N256) te Kats op 14 januari 2024 om 13:59 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Het is voor betrokkene nog steeds onduidelijk wat ze fout heeft gedaan. De officier van justitie heeft dit niet verduidelijkt en is alleen ingegaan op mogelijkheden die betrokkene zelf heeft verzonnen en niet op de daadwerkelijke situatie. In de brief wordt ook verwezen naar de bewijsvoering in de bijlagen, maar dit ontbreekt bij de brief.
Ter zitting heeft betrokkene ten aanzien van de termijnoverschrijding aangevoerd dat het twee oorzaken heeft. Allereerst was een goede vriend onder behandeling voor teelbalkanker waardoor betrokkene meerdere keren te hulp moest schieten omdat diegene zelf niet in staat was en niemand anders had die kon helpen. Ten tweede zat betrokkene in een heftige echtscheiding, waardoor betrokkene weinig thuis is geweest. Inhoudelijk heeft betrokkene aangevoerd dat ze tot de behandeling van de zitting geen idee had wat ze heeft gedaan. Daarbij kan ze zich niet voorstellen dat ze de gedraging heeft verricht. Betrokkene heeft wel op de pleeglocatie gereden, waar slechts een trajectcontrole en stoplichten staan. Verder had betrokkene twee inzittenden die de gedraging ook niet herkennen. Van agressief rijgedrag is nooit sprake bij betrokkene.
De zittingsvertegenwoordiger heeft primair verzocht om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het beroep bij de kantonrechter niet tijdig is ingesteld en die termijnoverschrijding ook niet verschoonbaar is. De omschreven omstandigheden vereisen veel aandacht, maar onvoldoende aannemelijk is dat betrokkene of een ander geen actie kon nemen. Subsidiair heeft de zittingsvertegenwoordiger verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren. Het dossier bevat een verklaring van niet één, maar twee verbalisanten die duidelijk zijn. De zittingsvertegenwoordiger hecht doorslaggevende waarde aan deze verklaring van de verbalisanten, waardoor de boete terecht is opgelegd. Voorts bestaat de mogelijkheid tot een verschrijving, maar bij een verschrijving is meestal te zien dat bij het voertuig een adres elders in het land staat. Dat is hier niet het geval. Betrokkene ontkent daarnaast ook niet op de pleeglocatie geweest te zijn.

Overwegingen

Termijnoverschrijding
Betrokkene heeft het beroep bij de kantonrechter te laat ingesteld. Voor het instellen van beroep geldt op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Die termijn eindigde in dit geval op 12 juli 2024. Het beroepschrift is echter pas op 14 juli 2024 ontvangen. Dat is te laat.
Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt - kort gezegd - dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld. In de uitnodiging voor de zitting is betrokkene erop gewezen dat als het beroep te laat is ingediend en daarvoor geen geldige reden is aangevoerd, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De kantonrechter is van oordeel dat betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het te laat beroep instellen niet aan haar kan worden toegerekend.
De kantonrechter zal vervolgens het beroep tegen de boete inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Daarbij is van belang dat betrokkene erkent op de pleeglocatie te zijn geweest en de kantonrechter het met de zittingsvertegenwoordiger eens is en doorslaggevende waarde hecht aan de constatering van twee verbalisanten.
De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Beslissing

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en uitgesproken op 16 januari 2026.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 67, 4330 AB Middelburg Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: