Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het geven van signalen op een andere wijze dan toegestaan op de Deltaweg (N256) te Kats op 14 januari 2024. Betrokkene stelde dat zij de gedraging niet had verricht en was onduidelijk over de overtreding. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat het beroep te laat was ingediend, aangezien de termijn van zes weken was overschreden. Echter, bijzondere omstandigheden zoals de zorg voor een zieke vriend en een echtscheiding maakten dat het te late beroep niet aan betrokkene kon worden toegerekend, waardoor het beroep ontvankelijk werd verklaard.
Inhoudelijk vond de kantonrechter dat de verklaring van twee verbalisanten voldoende bewijs leverde dat de overtreding had plaatsgevonden. Betrokkene erkende op de pleeglocatie te zijn geweest, maar ontkende de overtreding. De kantonrechter hechtte meer waarde aan de verklaringen van de verbalisanten en zag geen reden om de boete te matigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard en de boete bevestigd.