ECLI:NL:RBZWB:2026:1673

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
BRE 26/368
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:13 AwbArt. 4:14 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt spoedige beslissing en dwangsom bij overschrijding beslistermijn HZK-regeling

Eiser heeft op 20 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor toepassing van de HZK-regeling bij de Dienst Toeslagen. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken een besluit genomen, waardoor eiser een ingebrekestelling stuurde op 19 december 2025. Na het verstrijken van de termijn zonder besluit, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat verweerder niet binnen de redelijke termijn van acht weken heeft beslist. De rechtbank legt aan verweerder op om binnen twee weken na verzending van het vonnis alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000, voor elke dag dat de beslissing uitblijft.

Daarnaast moet verweerder het griffierecht van € 54 en proceskosten van € 467 aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank beveelt verweerder binnen twee weken alsnog te beslissen en legt een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/368

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Akbulut),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 20 oktober 2025 om de HZK-regeling toe te passen. [1]
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 20 oktober 2025. Verweerder heeft deze op 24 oktober 2025 ontvangen. Verweerder geeft in het verweerschrift aan dat de beslistermijn afloopt op 24 oktober 2026. Hierbij geeft verweerder aan dat dit uit de ontvangstbevestiging van 17 december 2025 betreffende de HZK-regeling volgt, gelet op de redelijke termijn van twaalf maanden. Hierover overweegt de rechtbank het volgende. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen verweerder op deze aanvraag moet beslissen. [3] In zo’n geval geldt een beslistermijn van acht weken. [4] Verweerder had dus uiterlijk op 19 december 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 19 december 2025 een ingebrekestelling gestuurd, die door verweerder op 23 december 2025 is ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.

Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd?

4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee verweerder de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 13 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit is de regeling voor de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget.
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Kamerstukken II 2025/26, 36 779, nr. 7, p. 8.
4.Dit staat in de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb.