In deze zaak staat een zorgverzekeringsovereenkomst centraal waarbij eiseres, VGZ, betaling van achterstallige premies vordert van gedaagde. Gedaagde betwist de betalingsachterstand en stelt dat de verzekering per 1 juli 2023 is beëindigd en dat hij juist een bedrag tegoed heeft wegens te veel betaalde premies.
De kantonrechter oordeelt dat gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat de verzekering per 1 juli 2023 is geëindigd. De door VGZ overgelegde beëindigingsbrief van december 2023 en het feit dat gedaagde premies na juli 2023 heeft betaald, maken aannemelijk dat de verzekering tot december 2023 liep. Daarom is gedaagde gehouden de achterstallige premies tot en met december 2023 gedeeltelijk te voldoen.
De vordering van gedaagde tot terugbetaling van te veel betaalde premies wordt afgewezen omdat VGZ heeft toegelicht dat de betalingen ook betrekking hadden op zorgkosten en afbetalingsregelingen, waardoor de berekening van gedaagde onjuist is. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.