ECLI:NL:RBZWB:2026:1641

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/02/432709 / JE RK 25-416
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging en contactherstel vader

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 februari 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die sinds juni 2024 onder toezicht staat vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling.

De gecertificeerde instelling (GI) heeft verzocht de ondertoezichtstelling met vier maanden te verlengen, omdat de doelen, met name het herstellen van contact tussen de vader en de minderjarige, nog niet zijn bereikt. De minderjarige ervaart angst en weerstand tegen contact met haar vader, wat een bedreiging vormt voor haar ontwikkeling. De vader heeft een erkennings- en ontschuldigingsbrief geschreven die onder begeleiding van hulpverlening aan de minderjarige zal worden voorgelezen.

De moeder werkt mee aan de hulpverlening, maar ervaart deze als belastend en vindt dat de ondertoezichtstelling al lang duurt zonder vooruitgang. De vader is bereid tot alle vormen van hulpverlening en wil het contact herstellen. De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke vereisten voor verlenging is voldaan, omdat de bedreiging voortduurt en vrijwillige hulpverlening onvoldoende blijkt. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ondertoezichtstelling verlengd tot 14 juni 2026.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 14 juni 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/432709 / JE RK 25-416
Datum uitspraak: 9 februari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. Kocak uit Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. L.L. Schipper-Heikens uit Den Haag.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van deze rechtbank van 5 juni 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 15 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de ouders zijn bijgestaan door een tolk in de Arabisch Marokkaanse taal;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 juni 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van 5 juni 2025 met ingang van 14 juni 2025 tot 14 februari 2026.
2.3.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het nadere verzoek

3.1.
Aan de orde is nu nog het resterende deel van het verzoek van de GI om een ondertoezichtstelling te verlengen voor [minderjarige] , te weten voor de duur van vier maanden, met ingang van 14 februari 2026 tot 14 juni 2026 en om de beslissing uitvoer bij voorraad te verklaren.

4.De nadere standpunten

4.1.
Namens de GI is in de overgelegde stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat de eerder gestelde doelen nog niet zijn behaald. De doelen zijn voornamelijk gericht op het realiseren van contact tussen de vader en [minderjarige] . Het gebrek aan contact met de vader en de grote weerstand en angst die [minderjarige] blijft hebben, leiden nog steeds tot een ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] .
Het is belangrijk dat het opbouwen van het contact tussen de vader en [minderjarige] zorgvuldig wordt begeleid. Vanuit de hulpverlening van [hulpverlening] wordt gezien dat [minderjarige] vervelende herinneringen heeft aan eerdere contactmomenten met de vader.
Onlangs heeft de vader met de ondersteuning van de hulpverleningsorganisatie [jeugdzorginstelling] en van de GI een erkennings- en ontschuldigingsbrief aan [minderjarige] geschreven. In de komende periode zal [jeugdzorginstelling] de moeder en [minderjarige] voorbereiden op het bespreken van deze brief. Het is de verwachting dat hiervoor een aantal sessies nodig zijn. De betrokken hulpverlening dient de ruimte te krijgen om zorgvuldig te handelen en om de tijd te krijgen om [minderjarige] voor te bereiden op de brief, alvorens deze aan haar wordt voorgelezen. Het proces hoe [minderjarige] reageert op de brief en hoe het met haar daarna gaat, dient gevolgd te worden door [jeugdzorginstelling] . Vervolgens moet blijken wat er haalbaar is in het eventuele contactherstel met de vader. De vader is geduldig en begrijpt dat [minderjarige] hierin niet geforceerd kan worden. Vanuit [hulpverlening] wordt niet gezien dat de moeder het contact tussen [minderjarige] en de vader afhoudt of dat de moeder geen emotionele toestemming verleent voor dit contact. Hulpverlening hiervoor kan nog niet in het vrijwillig kader plaatsvinden want ondanks dat de moeder erg bereidwillig is om mee te werken aan de hulpverlening, geeft zij ook aan dat zij dit doet, omdat deze haar wordt opgelegd. De moeder informeert de vader wel maandelijks per e-mail over het wel en wee van [minderjarige] . De e-mails worden verstuurd door tussenkomst van [begeleiding].
4.2.
Door en namens de vader is naar voren gebracht dat hij kan instemmen met het toewijzen van het restant van de ondertoezichtstelling. Het doet de vader pijn dat hij geen contact heeft met [minderjarige] . Het is voor de vader lastig om het geduld op te blijven brengen nu hij [minderjarige] al een lange tijd niet heeft gezien. De vader heeft [minderjarige] in 2023 voor het laatst enkele minuten gezien. Het is fijn dat de moeder meewerkt aan de ingezette hulpverlening. Het is begrijpelijke dat het tempo van [minderjarige] wordt gevolgd maar soms lijkt het alsof [minderjarige] te veel met fluwelen handschoenen wordt aangepakt. Komt de weerstand voort vanuit [minderjarige] of vanuit het al dan niet verkrijgen van emotionele toestemming van de moeder? Dat is een vraag die de vader zichzelf stelt. Uit het rapport van [hulpverlening] blijkt namelijk alleen dat de band tussen de moeder en [minderjarige] goed is maar uit het rapport blijkt niet of de moeder emotionele toestemming verleent voor contact tussen [minderjarige] en de vader.
De GI wordt daarom verzocht om niet alleen in te zetten op het uitreiken van de brief aan [minderjarige] , maar om ook te kijken wat er nog meer mogelijk is om te komen tot contactherstel, door bijvoorbeeld in te zetten op de band tussen de ouders. Het is belangrijk dat de ouders in gesprek gaan over dat wat er in het verleden is gebeurd. De vader is bereid om iedere vorm van hulpverlening te aanvaarden. Meermaals wordt benadrukt dat de vader hoopt dat het contact kan worden hersteld en dat [minderjarige] op termijn contact kan hebben met zijn andere kinderen.
4.3.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij geen toegevoegde waarde in het toewijzen van de overige vier maanden van de ondertoezichtstelling ziet. De ondertoezichtstelling loopt al een lange tijd en er wordt geen vooruitgang geboekt. Het is nog steeds niet duidelijk waar de weerstand van [minderjarige] vandaan komt. In het verleden heeft [minderjarige] de vader een paar keer gezien. Dit voelde toen niet goed voor haar, zij werd hier verdrietig van en haar schoolresultaten gingen sindsdien achteruit.
Benadrukt wordt dat de moeder wel zal meewerken aan de ondertoezichtstelling als de overige vier maanden worden toegewezen. Hulpverlening kan echter ook in het vrijwillige kader plaatsvinden, aldus de moeder. De moeder heeft altijd meegewerkt aan de hulpverlening en zal er alles aan blijven doen wat nodig is voor [minderjarige] .
[minderjarige] zit op speciaal onderwijs en zij kan niet tegen drukte noch tegen het gevoel dat zij dingen moet doen. Alleen als de situatie niet goed is voor [minderjarige] , zal de moeder niet meewerken.
De moeder ziet het belang van het contact tussen [minderjarige] en de vader. [hulpverlening] ziet geen zorgen over de opvoeding van de moeder en ziet de warme band tussen de moeder en [minderjarige] . De hulpverlening van de speltherapie en [hulpverlening] wordt door de moeder en [minderjarige] als belastend ervaren. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] onder druk wordt gezet en dat haar ontwikkeling verstoord raakt. [minderjarige] ziet de opa als haar vaderfiguur. De ouders hebben geen contact met elkaar. De moeder wil alleen contact onderhouden met de vader in het belang van [minderjarige] maar zij wil geen telefonisch contact met de vader. De moeder is ertoe bereid om aan te sluiten tijdens een eventueel contactmoment tussen [minderjarige] en de vader. [minderjarige] is niet op het kindgesprek verschenen omdat zij een belangrijke toets had. Daarnaast vindt zij het lastig om haar gevoelens op papier te zetten.

5.De nadere beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
Uit de overlegde stukken en uit de zitting blijkt dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er is al veel therapie ingezet in de afgelopen jaren maar nog steeds is onduidelijk waarom [minderjarige] geen contact met de vader wil. In de komende periode dient de door de vader opgestelde erkennings- en ontschuldigingsbrief onder de begeleiding van [jeugdzorginstelling] besproken te worden met [minderjarige] . [jeugdzorginstelling] wil monitoren hoe [minderjarige] reageert op de brief en hoe het daarna met haar gaat. Afhankelijk van hoe [minderjarige] reageert op de brief wordt duidelijk óf en zo ja, welke hulpverlening voor haar noodzakelijk is.
5.4.
Hulpverlening in het vrijwillig kader lijkt onvoldoende. Dit omdat, ondanks dat de moeder bereidwillig is om mee te werken aan de hulpverlening, zij ook heeft aangegeven dit te doen omdat dit haar wordt opgelegd.
Daarnaast lukt het de ouders nog niet om in het belang van [minderjarige] met elkaar te communiceren. Het is goed om te horen dat beide ouders op zitting hebben aangegeven te willen werken aan hun onderlinge communicatie in het belang van [minderjarige] , de kinderrechter ondersteunt dit dan ook van harte. Dit leidt er hopelijk toe dat [minderjarige] zich vrijer gaat voelen om een vorm van contact met haar vader aan te gaan.
De eerder gestelde doelen,
- er is zicht op de mogelijkheid van de ouders dat zij [minderjarige] kunnen ondersteunen in het proces tot (een eventueel) contactherstel;
- [minderjarige] weet wie haar vader is en zij voelt de ruimte om haar vader te leren kennen;
- [minderjarige] voelt de emotionele toestemming van de moeder om haar vader te leren kennen;
- [minderjarige] heeft onbelast contact met haar beide ouders,
blijven onverkort van toepassing.
- het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie,
wordt hieraan toegevoegd.
5.5.
Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor het toewijzen van het restant van de verzochte ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De kinderrechter zal het restantverzoek toewijzen voor de verzochte duur en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen met ingang van 14 februari 2026 tot 14 juni 2026.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.7.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De nadere beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst toe het restantverzoek van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 14 februari 2026 tot 14 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van Oonincx als griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.