ECLI:NL:RBZWB:2026:1640

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443662 / JE RK 26-10
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling minderjarige met medische en hechtingsproblematiek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 februari 2026 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2010, die medische problematiek (Fanconi Anemie) en trauma- en hechtingsproblematiek vertoont. De minderjarige woont bij de moeder en is geadopteerd vanuit China. De ouders hebben gezamenlijk het gezag.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging, waaronder negatief gedrag, schooluitval en een omgekeerd dag- en nachtritme. De minderjarige voelt zich onvoldoende gehoord en heeft stressklachten. De vrijwillige hulpverlening heeft onvoldoende effect gehad, mede door lange wachttijden en beperkte draagkracht van de moeder.

Tijdens de zitting gaf de minderjarige aan geen verdere hulp of ondertoezichtstelling nodig te vinden, maar erkende wel het goede contact met de begeleider van de dagbesteding. De ouders en de gecertificeerde instelling onderschreven het verzoek. De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en stelde de minderjarige onder toezicht voor de duur van een jaar, met de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

De beschikking bevatte tevens een kindbrief waarin de beslissing en de redenen daarvoor op begrijpelijke wijze aan de minderjarige werden uitgelegd. De kinderrechter benadrukte het belang van passende hulpverlening, het verbeteren van de communicatie tussen ouders en het vergroten van de draagkracht van de moeder. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443662 / JE RK 26-10
Datum uitspraak: 9 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI (via MS Teams).
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De ouders zijn niet de biologische ouders van [minderjarige] . [minderjarige] is geadopteerd door de ouders vanuit China toen hij anderhalf jaar oud was.
2.3.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
De Raad legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. Bij [minderjarige] is sprake van medische problematiek, namelijk Fanconi Anemie, en van trauma- en hechtingsproblematiek. Er wordt gezien dat [minderjarige] zich afzondert en hij zichzelf buiten het gezin zet, waarbij sprake is van een omgekeerd dag- en nachtritme. [minderjarige] voelt zich onvoldoende gehoord en gezien en het ontbreekt hem aan structuur. Er zijn zorgen over negatief gedrag van [minderjarige] , waarbij hij grenzen opzoekt. Hierdoor viel hij in 2025 uit op school. Momenteel is [minderjarige] de schoolgang weer aan het opbouwen en volgt hij dagbesteding bij [dagbesteding] . Er wordt verder gezien dat [minderjarige] last heeft van zijn trauma’s. Hij heeft stress en hoofdpijn, waardoor hij niet goed kan slapen. Ook voelt [minderjarige] zich in de steek gelaten door de vader en ervaart hij boosheid over hem. [minderjarige] spreekt zelf uit niet open te staan voor hulpverlening. Bij [dagbesteding] heeft [minderjarige] wel goed contact met zijn begeleider en is hij in staat om te praten over zijn gevoelens en wat hem bezighoudt.
4.2.
Verder zijn er zorgen over de belastbaarheid van de moeder. Eerder betrokken hulpverlening geeft aan dat de moeder overbelast is en stress ervaart. Hierdoor kan zij [minderjarige] onvoldoende emotioneel ondersteunen en kan zij moeilijk afstemmen op [minderjarige] . De moeder lijkt daarnaast onvoldoende open te staan om een actieve bijdrage te leveren aan de behandeling van [minderjarige] . Het wantrouwen van de moeder richting de hulpverlening, waaronder het wijkteam en [hulpverlening 1] , kan ervoor zorgen dat trajecten vroegtijdig stoppen of de bereidheid tot hulp van [minderjarige] afneemt.
4.3.
De vader en [minderjarige] zien elkaar momenteel één keer per maand gedurende vier uur bij de vader thuis. Deze momenten verlopen goed. De vader wil vaker contact, maar [minderjarige] lijkt hier geen behoefte aan te hebben en heeft het gevoel dat vader ‘te laat komt’. Sinds de Jeugdbeschermingstafel is er beter contact tussen de ouders, namelijk via de mail en de moeder belt met momenten met de partner van vader. Inmiddels is daarnaast bij betrokken partijen beter bekend dat de vader ook het gezag draagt, waardoor hij wordt geïnformeerd. Ook vraagt hij actief naar informatie over [minderjarige] .
4.4.
Tot op heden lukt het de ouders binnen het vrijwillige kader onvoldoende om passende hulpverlening te accepteren voor [minderjarige] en de hulpverlening heeft onvoldoende geleid tot positieve resultaten. De Raad acht daarom een ondertoezichtstelling noodzakelijk. De Raad is van mening dat er passende hulpverlening dient te komen voor [minderjarige] in de vorm van behandeling voor zijn mogelijke trauma’s en hechtingsproblematiek. De hulpverlening vanuit [dagbesteding] dient gecontinueerd te worden. De Raad denkt daarnaast aan een traject van [hulpverlening 2] . Hier is al een aanmelding voor gedaan. Zowel de moeder als de vader moeten daarnaast gaan leren aan te sluiten bij de behoeftes van [minderjarige] . Dit kan door actief mee te doen aan de hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] . Verder acht de Raad het van belang dat [minderjarige] inzicht krijgt in het feit dat de hulpverlening er voor hem is en de vader op dit moment zijn best doet om betrokken te zijn. Mogelijk kan het helpend zijn voor [minderjarige] als er een neutraal/onafhankelijk iemand voor hem beschikbaar is om laagdrempelig mee te spreken. Daarnaast acht de Raad het nodig dat de moeder een eigen hulpverleningstraject zal gaan volgen gericht op het vergroten van haar draagkracht. Ook dient de communicatie tussen de ouders op een positieve manier te worden voortgezet. Verder vindt de Raad het belangrijk dat er gekeken wordt naar wat de vader nog meer kan bieden aan [minderjarige] . [minderjarige] zal hiervoor eerst vertrouwen moeten krijgen in de betrokkenheid van de vader. Op dit moment lijkt [minderjarige] namelijk niet open te staan voor uitbreiding van het contact.

5.De standpunten van de belanghebbenden

5.1.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat hij de hulpverlening vanuit [dagbesteding] accepteert en dat hij goed contact heeft met een van de begeleiders vanuit [dagbesteding] . [minderjarige] vindt een ondertoezichtstelling of verdere hulpverlening niet nodig. Daarnaast is het nu rustiger op school, omdat hij niet meer bij de jongens in de klas zit die zorgden voor onrust bij [minderjarige] . Ook is het thuis, bij de moeder, rustiger. Verder geeft [minderjarige] aan dat het contact tussen [minderjarige] en de vader momenteel goed is en dat hij geen behoefte heeft om vaker contact te hebben.
5.2.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat het verzoek van de Raad voldoet aan de wettelijke vereisten. [minderjarige] kampt met trauma’s en gezondheidsklachten. Ook doet [minderjarige] soms zorgelijke uitspraken, waaronder ook suïcidale uitspraken. [minderjarige] heeft daardoor intensieve opvoeding nodig. De hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] is een jaar lang betrokken geweest, echter heeft dit niets opgeleverd doordat [hulpverlening 1] niet de juiste hulpverlening bleek te kunnen bieden aan [minderjarige] . Ook heeft het wijkteam van de gemeente niet gezorgd voor positieve veranderingen en zijn er door het wijkteam enkel aanwijzingen gegeven, zonder echt met het gezin te praten. [minderjarige] heeft deze hulpverlening niet als positief ervaren en is hierdoor terughoudend richting hulpverlening. De moeder vindt het zorgelijk dat de hulpverlening lang duurt en mogelijk nog langer duurt als een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken. Zij heeft al lange tijd contact met [hulpverlening 2] , echter is daar sprake van een wachttijd van 20 weken. Ook heeft de GI een wachttijd. De moeder vindt het fijn voor [minderjarige] dat [hulpverlening 2] weer aan de slag gaat, omdat [minderjarige] daar al bekend is. De moeder is niet overbelast, echter heeft zij het soms wel zwaar. Verder is de moeder blij met de hulpverlening vanuit [dagbesteding] en vindt zij het van belang dat er een opbouw komt in de schoolgang van [minderjarige] .
5.3.
Door de vader is tijdens de zitting naar voren gebracht dat het momenteel goed gaat met [minderjarige] , vergeleken met een jaar geleden. De vader vindt [hulpverlening 2] een goed hulpverleningstraject, echter duurt de hulpverlening allemaal heel lang. De vader wacht al lang op intensieve hulpverlening. Zijn zorg is de ziekte van [minderjarige] waarvan onzeker is hoe die zich zal ontwikkelen. De vader is wel blij met de hulpverlening vanuit [dagbesteding] . De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige] een dagbesteding heeft en dat [minderjarige] het daar naar zijn zin heeft.

6.Het standpunt van de GI

6.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. De GI geeft tijdens de zitting aan dat er sprake is van een wachtlijst en dat er niet per direct een vaste jeugdbeschermer betrokken zal zijn. Er zal binnen vijf dagen contact worden opgenomen met de ouders door de GI. Daarnaast kan de GI alvast contact opnemen met [hulpverlening 2] en de gemeente, om te kijken welke hulpverlening er nu al in gang gezet kan worden. Ook vindt de GI het belangrijk dat de huidige betrokken hulpverlening gecontinueerd wordt.

7.De beoordeling

Ondertoezichtstelling
7.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
7.2.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, blijkt dat de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig wordt bedreigd. Bij [minderjarige] is sprake van medische problematiek, namelijk Fanconi Anemie, en van trauma- en hechtingsproblematiek. Er wordt gezien dat [minderjarige] last heeft van zijn trauma’s. [minderjarige] zondert zich af en er is sprake van een omgekeerd dag- en nachtritme. Ook is [minderjarige] uitgevallen van school vanwege negatief gedrag en ontbreekt het hem aan structuur. Momenteel volgt [minderjarige] dagbesteding bij [dagbesteding] en is hij aan het opbouwen richting naar school gaan. Daarnaast voelt [minderjarige] zich in de steek gelaten door de vader, waardoor hij boosheid tegenover de vader ervaart. Op dit moment is er goed contact tussen [minderjarige] en de vader, waarbij zij elkaar één keer per maand gedurende vier uur bij de vader thuis zien. De vader wil vaker contact met [minderjarige] , echter lijkt [minderjarige] op dit moment niet open te staan voor uitbreiding van het contact.
7.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Beide ouders willen het beste voor [minderjarige] maar tot op heden lukt het de ouders binnen het vrijwillige kader onvoldoende om passende hulpverlening te accepteren voor [minderjarige] . Dit heeft onder andere te maken met de lange wachttijden. De hulpverlening die momenteel betrokken is of betrokken is geweest heeft daarnaast onvoldoende geleid tot positieve resultaten. Verder zijn er zorgen over de belastbaarheid van de moeder en haar bereidheid om actief bij te dragen aan de hulpverlening. Het wantrouwen van de moeder richting de hulpverlening kan ervoor zorgen dat trajecten vroegtijdig stoppen of de bereidheid tot hulp van [minderjarige] afneemt.
7.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
7.5.
De kinderrechter benadrukt dat in het kader van de ondertoezichtstelling gewerkt dient te worden aan de volgende door de Raad opgestelde doelen, te weten:
- [minderjarige] heeft passende hulpverlening gericht op mogelijk trauma en hechting;
- [minderjarige] zijn ouders sluiten op een passende manier aan bij wat [minderjarige] nodig heeft;
- [minderjarige] gaat volgens lesrooster naar school;
- [minderjarige] zijn ouders kunnen in het belang van [minderjarige] gezamenlijk communiceren en tot afspraken komen.
7.6.
De komende periode dient er passende hulpverlening te komen voor [minderjarige] in de vorm van behandeling voor zijn mogelijke trauma’s en hechtingsproblematiek. De hulpverlening vanuit [dagbesteding] dient gecontinueerd te worden en het traject van [hulpverlening 2] dient te starten. Zowel de moeder als de vader moeten daarnaast gaan leren aan te sluiten bij de behoeftes van [minderjarige] . Verder is het van belang dat [minderjarige] inzicht krijgt in het feit dat de hulpverlening er voor hem is en de vader op dit moment zijn best doet om betrokken te zijn, waarbij het mogelijk helpend is als [minderjarige] hierover met een neutraal/onafhankelijk iemand kan spreken. Ook dient de communicatie tussen de ouders op een positieve manier te worden voortgezet. Daarnaast is het nodig dat de moeder een eigen hulpverleningstraject gaat volgen gericht op het vergroten van haar draagkracht en dient er gekeken te worden naar de mogelijkheden van de vader ter ondersteuning van de opvoedsituatie van [minderjarige] .
7.7.
De kinderrechter gaat er vanuit dat de GI, zoals toegezegd tijdens de zitting, zo snel mogelijk contact zal opnemen met de gemeente en [hulpverlening 2] , zodat de hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] op een zo kort mogelijke termijn kan starten.
Uitvoerbaar bij voorraad
7.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Brief aan [minderjarige]
7.9.
Tijdens het kindgesprek is met [minderjarige] afgesproken dat hij zelf per post een brief krijgt over wat er is beslist en waarom. Tegelijk met deze beschikking zal onderstaande brief worden verzonden. In de brief is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige] ,
Op 4 februari 2026 hebben wij met elkaar gepraat. Ik vind het heel fijn dat je met mij wilde praten. Het is voor mij belangrijk om te horen hoe het met je gaat en wat jouw mening is. Aan het eind van het gesprek hebben we afgesproken dat ik je zou laten weten wat mijn beslissing is. Mijn beslissing leg ik uit in deze brief.
Tijdens de zitting van de rechtbank op 9 februari 2026 heb ik met iemand van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad), je moeder en haar advocaat, je vader en iemand van de jeugdbescherming gepraat. Ik heb toen aan hen samengevat verteld wat je aan mij hebt verteld. Ik heb verteld dat jij de hulpverlening vanuit [dagbesteding] oké vindt en dat je goed kan praten met een van de begeleiders daar. Ook heb ik verteld dat je andere hulpverlening of een ondertoezichtstelling niet nodig vindt. Je hebt verteld dat het nu rustiger is op school, omdat je niet meer bij de jongens in de klas zit die ervoor zorgden dat het druk voor je was. Ook is het thuis nu rustiger. Verder heb ik verteld dat je het contact met je vader nu goed vindt en dat je niet persé vaker contact met je vader wil, omdat je daar geen behoefte aan hebt.
Ik heb daarna met iemand van de Raad, je moeder en haar advocaat, je vader en iemand van de jeugdbescherming gepraat. Ik begrijp dat er zorgen zijn over jou en hoe het met je gaat. Iedereen is het erover eens dat een ondertoezichtstelling nodig is, omdat het tot nu toe niet is gelukt om de juiste hulp te vinden. Dit is dan ook wat ik heb beslist. Dit betekent dat een jeugdbeschermer jullie gaat helpen. Ik vind het namelijk belangrijk dat jij en je ouders de juiste hulp krijgen en dat jullie daarbij ondersteund worden door de jeugdbeschermer. Ook vind ik het belangrijk dat de juiste hulpverlening zo snel mogelijk gaat starten, omdat jij en jouw ouders daar al lang op hebben moeten wachten.
Ik hoop dat het voor jou duidelijk is wat ik heb beslist en waarom ik deze beslissing heb genomen. Als je nog iets wilt vragen over deze brief, dan kun je een e-mail sturen. De contactgegevens van de rechtbank staan linksboven in deze brief.
Met vriendelijke groet,
De kinderrechter.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 9 februari 2026 tot 9 februari 2027;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 16 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.