ECLI:NL:RBZWB:2026:164
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om proceskostenveroordeling tegen het UWV na intrekking van beroep
Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen verzoekster en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Verzoekster had een verzoek ingediend om het UWV te veroordelen in de proceskosten na de intrekking van haar beroep tegen een besluit van het UWV van 13 april 2023. Dit beroep werd ingetrokken omdat het UWV op 11 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar had genomen. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling, waarop het UWV heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen een proceskostenvergoeding ter hoogte van het forfaitaire tarief.
De rechtbank heeft zonder zitting uitspraak gedaan en het verzoek om proceskostenveroordeling toegewezen. De rechtbank overwoog dat wanneer een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, de bestuursrechter op verzoek van de indiener het bestuursorgaan kan veroordelen in de proceskosten. In dit geval heeft het UWV op 11 april 2025 het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond verklaard, wat betekent dat het UWV aan verzoekster is tegemoetgekomen.
De rechtbank heeft de proceskosten vastgesteld op € 1.868,-, omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend en de zitting van 8 oktober 2024 heeft bijgewoond. Daarnaast is het UWV verplicht om het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet tegen deze uitspraak.