ECLI:NL:RBZWB:2026:1635

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/02/436680 / JE RK 25-1107
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens blijvende ontwikkelingsbedreiging en ouderschapsconflict

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van drie minderjarigen, die sinds augustus 2023 onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling (GI). De minderjarigen wonen bij hun moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De GI verzoekt verlenging vanwege blijvende ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen, veroorzaakt door stressregulatieproblemen bij de moeder, beperkte omgang met de vader en voortdurende strijd tussen de ouders.

De moeder voert verweer en twijfelt aan het nut van de OTS, maar stemt subsidiair in met een zes maanden durende verlenging onder voorwaarde van inzet van ouderschapsbemiddeling door twee bemiddelaars. De vader voert geen verweer en wenst uitbreiding van omgang met de kinderen.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld. De ontwikkeling van de minderjarigen wordt nog steeds ernstig bedreigd door de gespannen ouderlijke situatie en onvoldoende samenwerking. Vrijwillige hulpverlening heeft niet geleid tot voldoende verbetering. De OTS wordt daarom met zes maanden verlengd, met nadruk op het belang van ouderschapsbemiddeling om het ouderschapsplan verder vorm te geven en de spanningen te verminderen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van drie minderjarigen wordt met zes maanden verlengd vanwege blijvende ontwikkelingsbedreiging en verstoorde communicatie tussen ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/436680 / JE RK 25-1107
Datum uitspraak: 9 februari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASERING,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Schuttkowski uit Hulst.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 13 augustus 2025;
  • het bericht van de GI met bijlagen van 23 januari 2026;
  • de tijdens de zitting door mr. Schuttkowski overgelegde stukken.
1.2.
Op 9 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 15 augustus 2023 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 15 augustus 2023 en tot 15 augustus 2024. Tevens is bij deze beschikking ten aanzien van [minderjarige 2] een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma moederszijde, verleend met ingang van 15 augustus 2023 en tot 15 februari 2024.
2.4.
Bij beschikking van 12 februari 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma moederszijde, verlengd met ingang van 15 februari 2024 en tot 15 augustus 2024.
2.5.
Bij beschikking van 13 februari 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] laatstelijk verlengd met ingang van 15 februari 2025 en tot 15 augustus 2025.
2.6.
Bij beschikking van 13 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] laatstelijk verlengd met ingang van 15 augustus 2025 en tot 15 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist.
3.3.
Thans ligt ter beoordeling nog voor het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 15 februari 2026 en tot 15 augustus 2026.

4.De nadere standpunten

4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift en de brief van 23 januari 2026. Er zijn nog altijd zorgen over de minderjarigen waardoor zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Daaraan dient binnen de ondertoezichtstelling te worden gewerkt. De zorgen zijn hoofdzakelijk gelegen in de (resterende zorgen over de) stressregulatie van de moeder, de beperkte (begeleide) omgang tussen de vader en de minderjarigen én de verstoorde onderlinge communicatie en de aanhoudende strijd tussen de ouders. De GI vindt het belangrijk dat de ouders een gedegen ouderschapsplan opstellen middels de inzet van ouderschapsbemiddeling. Het huidige ouderschapsplan is niet langer passend bij de situatie.
4.2.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het resterende deel van het verzoek. De moeder ervaart veel spanning vanwege de manier waarop de GI uitvoering geeft aan de ondertoezichtstelling en twijfelt aan het nut van de ondertoezichtstelling. De GI komt pas op het laatste moment in actie en er staan veel onjuistheden in de rapportages van de GI. Subsidiair kan de moeder instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden, wanneer er hulpverlening wordt ingezet in de vorm van bemiddeling vanuit mevrouw [persoon 1] (SLIM uit elkaar), al dan niet in combinatie met de heer [persoon 2] (Consensus Bemiddeling), gericht op het invullen van de omgang zoals is neergelegd in het ouderschapsplan dat aan de beschikking van deze rechtbank van 14 april 2025 is gehecht. De GI kan dan op de achtergrond betrokken blijven.
4.3.
De vader voert geen verweer tegen het resterende deel van het verzoek van de GI. Hoewel het met momenten ook goed gaat, kan de moeder soms nog compleet van mening veranderen. Dit leidt dan tot het niet nakomen van afspraken, waarbij de moeder gebruik maakt van de macht die zij als gezaghebbende ouder heeft. De vader mist de minderjarigen en wenst dat de omgang wordt uitgebreid. Dit lukt de ouders onderling niet.

5.De verdere beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Uit de overgelegde stukken en hetgeen op zitting is besproken blijkt dat er nog altijd zorgen bestaan over de ontwikkeling van de minderjarigen. Het lukt de ouders nog niet om het ouderschap voor de minderjarigen gezamenlijk vorm te geven en om blijvend en op een constructieve manier met elkaar te communiceren in het belang van de minderjarigen. Hoewel het contact tussen de ouders met momenten ook goed verloopt, zijn er nog altijd zorgen over de terugkerende strijd tussen de ouders en dat de minderjarigen als gevolg daarvan klem komen te zitten tussen de ouders. De ouders hebben in het kader van de echtscheidingsprocedure een ouderschapsplan opgesteld. Dit ouderschapsplan is beperkt en hier dient door de ouders verder invulling aan te worden gegeven. Dit is tot op heden niet gelukt. Ook is de rol van de vader in het leven van de minderjarigen nog altijd beperkt. Dit contact is tot op heden niet uitgebreid en voorafgaand en na afloop van de omgangsmomenten is er sprake van spanning bij de minderjarigen. Dit wekt bij de kinderrechter de indruk dat zij thans geen onbelast contact kunnen ervaren met hun beide ouders. Voorts zijn de zorgen ten aanzien van de (emotionele) beschikbaarheid van de moeder nog niet volledig weggenomen. Hoewel de moeder behandeling heeft gevolgd bij de Kreek en deze behandeling blijkens de overgelegde mail is afgerond vanwege de vermindering van de klachten van de moeder, ziet de kinderrechter dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling en het contact met de vader nog voor veel spanning en onrust zorgen bij de moeder. Op stressvolle momenten kan dit ertoe leiden dat de moeder minder voorspelbaar is voor de minderjarigen. De minderjarigen zullen deze onderlinge spanningen ook meekrijgen en worden dan belast met de strijd die de ouders met elkaar (blijven) voeren. Dit baart de kinderrechter nog altijd zorgen.
5.5.
Gezien de hiervoor beschreven zorgen komt de kinderrechter tot de conclusie dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet volledig zijn behaald. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De samenwerking tussen de ouders is nog onvoldoende stabiel en structureel om de ondertoezichtstelling te beëindigen. De kinderrechter heeft niet de verwachting dat het de ouders lukt om gezamenlijk tot afspraken te komen over de belangrijke zaken in het leven van de minderjarigen en dat de benodigde hulpverlening binnen het vrijwillig kader van de grond zal komen. De moeder heeft eerder de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] stopgezet en de begeleiding vanuit [hulpverlening 2] moet nog worden opgestart. Ook de ouderschapsbemiddeling tussen de ouders is nog niet hervat. Dit maakt het noodzakelijk dat ook de komende periode hulp en regie in een gedwongen kader betrokken blijft. De kinderrechter vindt het dan ook in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat de GI de komende periode zicht houdt op het welbevinden van de minderjarigen en regie blijft voeren over de ingezette en nog in te zetten hulpverlening.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van zes maanden. De komende periode hoopt de kinderrechter dat het de ouders, met de inzet van SLIM uit elkaar en Consensus Bemiddeling, lukt om gezamenlijk tot gelijkwaardige afspraken te komen in het belang van de minderjarigen en verder invulling te geven aan het ouderschapsplan. Alle partijen hebben hiervan aangegeven de hoop te hebben dat dit helpend kan zijn en dit een kans te willen geven. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de ouders gaan leren om zich te focussen op hun eigen ouderschap en dat de minderjarigen vrij worden gelaten in het heen en weer bewegen tussen de ouders. Dit zal mogelijk bijdragen aan het creëren van meer rust in het leven van alle betrokkenen.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 15 februari 2026 en tot 15 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 18 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.