ECLI:NL:RBZWB:2026:161

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
25/3518
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van WIA-uitkering en beoordeling van arbeidsongeschiktheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 15 januari 2026, wordt de beëindiging van de WIA-uitkering van eiser beoordeeld. Eiser, die eerder als heftruckchauffeur werkte, heeft zijn uitkering aangevraagd na uitval door gezondheidsklachten. De rechtbank onderzoekt of het UWV terecht heeft besloten de uitkering te beëindigen op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser betwist de beëindiging en voert verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank concludeert dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank legt uit dat de medische en arbeidskundige beoordelingen door het UWV zorgvuldig zijn uitgevoerd en dat de beperkingen van eiser correct zijn vastgesteld. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd om aan te tonen dat zijn situatie ernstiger is dan door het UWV is aangenomen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de beslissing van het UWV in stand blijft en eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3518 WIA

uitspraak van 15 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. R.E. Teusink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV),verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 tot en met 6 zijn de grondslag van het besluit, het wettelijk kader en het toetsingskader opgenomen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: zijn de beperkingen juist vastgesteld (medische beoordeling) en is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld (arbeidskundige beoordeling). Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als heftruckchauffeur. Hij is uitgevallen op 27 maart 2020 vanwege belemmerende gezondheidsklachten, en heeft zich op 3 april 2020 weer hersteldgemeld. Kort na zijn hersteldmelding is hij op 16 april 2020 opnieuw uitgevallen vanwege been- en rugklachten. Vervolgens is hij op 7 april 2022, aan het einde van de wachttijd, volledig arbeidsongeschikt geacht, omdat op korte termijn een ingreep zal plaatsvinden (het plaatsen van een stent). Sindsdien ontving eiser een loongerelateerde uitkering. Dit is per 22 april 2023 overgegaan in een loonaanvullingsuitkering. Op 26 maart 2024 vond een herbeoordeling plaats die heeft geleid tot de besluiten genoemd onder ‘Procesverloop’.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 7 augustus 2024 (primair besluit) de WIA-uitkering van eiser beëindigd met ingang van 8 oktober 2024.
Met het bestreden besluit van 19 juni 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [vertegenwoordiger] namens het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1
De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiser lichamelijk en psychisch onderzocht op het spreekuur van 26 maart 2024. De verzekeringsarts rapporteert op 28 maart 2024 als volgt. Eiser is bekend met vaatproblematiek. Hij heeft hierdoor beperkingen in de belasting van het linkerbeen. Gezien de voorliggende onderzoeksbevindingen bestaat er een reële klachten presentatie, waarbij beperkingen zijn te stellen ten aanzien van de dynamische en statische belastbaarheid. Eiser blijft nog onder controle bij een specialist EMC. Conform de richtlijn Schattingsbesluit kan op medische gronden niet gesteld worden dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Concluderend heeft eiser verminderde functionele mogelijkheden als gevolg van ziekte of gebrek overeenkomstig de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
7.2
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd, kennisgenomen van het bezwaarschrift en de in bezwaar verkregen informatie. De verzekeringsarts b&b rapporteert op 8 april 2025 als volgt. Er heeft geen spreekuur plaatsgevonden, omdat het dossier geen medische vragen oproept en eiser in het primaire proces is gezien door een verzekeringsarts. De verzekeringsarts b&b overweegt dat bij eiser colitis ulcerosa is vastgesteld en dat hij 2 tot 4 maal daags dunne ontlasting heeft. Eiser moet bij aandrang zijn werk kunnen onderbreken om een toilet te kunnen gebruiken. Dit zal worden toegevoegd aan de FML (herziening op item 3.8.4: toiletbezoek binnen 10 min. bereik). Verder is bij eiser sprake van claudicatio intermittens, waarvoor hij is behandeld, maar waarvan hij met name links klachten is blijven houden. De primaire verzekeringsarts was hiervan op de hoogte en heeft hierbij passende beperkingen aangenomen op het gebied van dynamische handelingen en statische houdingen. De door eiser ingebrachte medische informatie geeft geen nieuwe inzichten en zijn tevens van voor datum in geding. Bovendien was de conclusie al bekend bij de primaire verzekeringsarts. Er zijn geen medische argumenten aanwezig om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. Verder voldoet eiser niet aan het criteria voor een urenbeperking gezien de standaard Duurbelastbaarheid in arbeid. Er is geen sprake van discrepantie tussen 2022 en 2024 in verband met tijdelijk geen benutbare mogelijkheden in 2022 vanwege een operatie.
De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de FML van 8 april 2025. De FML is aangepast per 26 maart 2024.
7.3
Eiser stelt dat hij in de bezwaarprocedure niet is gehoord of gezien door een bezwaarverzekeringsarts. Het laatste spreekuur met een arts van het UWV dateert volgens eiser van 26 maart 2024. Daarnaast zijn de beperkingen in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen in de FML te licht vastgesteld. Hij is ernstiger beperkt op het gebied van duwen en trekken, tillen tijdens het werk, dragen tijdens het werk, lopen, traplopen, klimmen en knielen of hurken. Dit kan hij niet goed in verband met zijn ernstige beenklachten. Bovendien kan hij geen kwartier staan en zeker niet twee à drie uren verspreid over een dag, kan hij geen 150 kilogram duwen of trekken en geen 10 kilogram tillen of dragen.
Aanvullend stelt eiser dat hij ernstige been- en rugklachten heeft. Hij heeft last van trombose aan zijn linkerbeen, gebruikt medicatie, er is sprake van vaatproblematiek en hij heeft darmklachten. Daarbij voert hij aan dat het nu slechter gaat dan in 2024. Hij voelt zijn benen niet, heeft pijn in de heupen en de onderrug. Hij heeft veel fysieke beperkingen en verricht geen zwaar huishoudelijk werk. Daarnaast blijkt uit de toekenningsbeslissing voor een vervoersvoorziening en voorziening voor huishoudelijke ondersteuning dat er diverse stents zijn geplaatst wegens een beperkte doorbloeding in het linkerbeen, dat lopen moeilijk is, een diagnose maagtrombose is gesteld, sprake is van oedeem in de onderbenen en rugklachten. Ook blijkt dat hij niet zelfstandig boodschappen kan doen, hij na 50 tot 10 meter lopen moet rusten en autorijden of fietsen niet meer mogelijk is. Tot slot voert eiser aan dat een urenbeperking opgenomen moet worden. Eiser betwist dat hij nog benutbare mogelijkheden heeft.
7.4
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiser psychisch en lichamelijk onderzocht op het spreekuur van 26 maart 2024. De verzekeringsarts b&b heeft vervolgens het dossier bestudeerd, kennisgenomen van het bezwaarschrift en de door eiser in bezwaar overgelegde informatie waaronder meerdere overzichten van gezondheidsproblemen, een verslag van [naam 1] van 5 juni 2020, een brief van [naam 2] , MDL-arts, van 25 februari 2021, een verslag van [naam 3] van 16 september 2021, een verslag van [naam 4] van 16 september 2021 en een brief van [naam 5] , arts trombosedienst, van 20 september 2021. Hiermee beschikten de verzekeringsartsen over voldoende inzicht in de medische situatie van eiser. Uit hun rapporten blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder de been- en rugklachten (inclusief vaatproblematiek), darmklachten en claudicatio intermittens. De verzekeringsartsen hebben dit ook kenbaar betrokken in hun beoordeling. Niet gebleken is dat er onderzoeksactiviteiten zijn gemist. De verzekeringsarts b&b heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom geen spreekuur heeft plaatsgevonden.
Eiser heeft aangevoerd dat het evident is dat zijn beperkingen zijn onderschat. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd en bovendien geen medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij op datum in geding meer beperkt is dan door het UWV is aangenomen. Eiser heeft weliswaar in beroep een toekenningsbesluit en een consultverslag overgelegd, maar de toekenning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) kent een ander beoordelingskader en beide verslagen zijn van november 2025 en zien dus niet op datum in geding, namelijk 8 oktober 2024. Daarnaast heeft eiser een brief van de behandelend vaatchirurg van 4 december 2025, een behandelverslag van 16 september 2025 en een poliklinische brief van 8 december 2025 overgelegd. Ook deze stukken zien niet op eisers situatie op datum in geding. Bovendien stelt eiser zelf dat zijn situatie nu slechter is dan in 2024, waardoor aan de stukken niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan gehecht wil zien. Uit de ingediende (medische) stukken blijkt niet dat de belastbaarheid anders is dan eerder aangegeven of dat eisers medische situatie is onderschat. Een (eventuele) diagnose is op zichzelf niet bepalend voor de vaststelling van de belastbaarheid en leidt niet zonder meer tot een wijziging daarvan. De informatie die eiser in beroep heeft overgelegd geeft de rechtbank dus geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden.
De rechtbank concludeert dat niet is gebleken dat in de FML van 8 april 2025 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden, slaagt niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid zoals die is neergelegd in die FML.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
8. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Modinette Vitrage (SBC-code 111160), Bestucker (SBC-code 111180) en Elektrotechnisch medewerker (SBC-code 267071).
8.1
De beroepsgronden van eiser geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Eisers standpunt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, maar voor een dergelijke conclusie bestaat gezien het voorgaande geen aanleiding. De arbeidsdeskundige b&b heeft de geschiktheid van de geduide functies ook afdoende toegelicht. De rechtbank betrekt hierbij dat de voorbeeldfuncties overwegend zittend zijn, niet aan de lopende band worden verricht en onderbroken kunnen worden voor een toiletgang.
De hiervoor genoemde functies mochten daarom worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
9. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 19,3%. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
9.1
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 oktober 2024 heeft vastgesteld op 19,3%. Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht beëindigd per 8 oktober 2024.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niks verandert.
10.1
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 15 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.