ECLI:NL:RBZWB:2026:1603

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443126 / FA RK 25-6498
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 810 RvArt. 1:212 BWArt. 1:377a lid 1 BWArt. 1:377a lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen vader en kind in rekestprocedure

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 6 februari 2026 een verzoek tot voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro, waarbij de man een omgangsregeling met zijn kind [minderjarige 2] vroeg. De man heeft het kind niet erkend, en de vrouw betwist zijn vaderschap, maar het staat vast dat de man een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind heeft.

Tijdens de mondelinge behandeling bereikten partijen, met hulp van de Raad voor de Kinderbescherming, overeenstemming over een voorlopige omgangsregeling. Deze voorziet in contact op zaterdagmiddag, met afspraken over de overdracht afhankelijk van het weer, gedragsregels voor de man tijdens omgang, en de rol van zijn nieuwe partner.

De rechtbank oordeelde dat aan de wettelijke vereisten voor een provisionele voorziening was voldaan en dat de afspraken niet in strijd zijn met het belang van het kind. De beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De regeling geldt totdat in de bodemprocedure een definitieve beslissing wordt genomen.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling vast waarbij de man wekelijks op zaterdag contact heeft met zijn kind onder duidelijke voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/443126 / FA RK 25-6498
datum uitspraak: 6 februari 2026
Beschikking provisionele voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro tot vaststelling van een voorlopige omgangsregeling
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. S.X. Scholten te Vlissingen,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
1.1. De rechtbank heeft het volgende stuk ontvangen:
- het verzoekschrift van de man, ontvangen op 16 december 2025, met bijlage.
1.2. Het verzoek is mondeling behandeld op 9 januari 2026. Daarbij waren aanwezig partijen, hun advocaten en een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3. De man heeft bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig gemaakt. Deze procedure staat geregistreerd onder nummer C/02/442798 / FA RK 25-6328.
In de bodemprocedure verzoekt de man, samengevat, vervangende toestemming erkenning, benoeming van een bijzondere curator, vaststelling van een omgangsregeling, vaststelling gezamenlijk ouderlijk gezag en vaststelling van een informatieregeling.
In deze procedure zal de rechtbank nog een mondelinge behandeling plannen.
1.4. In de bodemprocedure heeft de rechtbank bij beschikking van 30 december 2025 een bijzondere curator benoemd op grond van artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2. De feiten
2.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en samengewoond.
2.2. Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2018.
2.3. Uit de vrouw is geboren:
- [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2021.
De man heeft [minderjarige 2] niet erkend.
2.4. [minderjarige 2] woont bij de vrouw. De vrouw oefent alleen het gezag uit over [minderjarige 2] . [minderjarige 1] woont niet bij partijen, maar bij haar oma. Oma oefent ook de voogdij uit.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt als voorlopige voorziening, in afwachting van de beslissing in de bodemprocedure, te bepalen dat hij wekelijks één dag contact heeft met [minderjarige 2] .

4.De beoordeling

4.1.
De man vraagt om een spoedmaatregel voor de duur van de procedure, ook wel een voorlopige voorziening of een provisionele voorziening genoemd (artikel 223 Rv Pro).
De rechtbank kan alleen een provisionele voorziening treffen als is voldaan aan een aantal wettelijke vereisten. Aan die vereisten is naar het oordeel van de rechtbank voldaan.
4.2.
Net zoals de bodemprocedure ziet de spoedmaatregel alleen op [minderjarige 2] .
De man verzoekt de rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen hem en [minderjarige 2] vast te stellen.
4.3.
Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
4.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat het niet voor beide partijen zeker is dat de man de biologische vader is van [minderjarige 2] . De man stelt dit wel, maar de vrouw betwist dit. Wat wel tussen partijen vast staat is dat de man sinds de geboorte van [minderjarige 2] een rol heeft gespeeld in diens verzorging en opvoeding en dat er na de relatiebreuk altijd contact is geweest tussen de man en [minderjarige 2] . Dat de man in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [minderjarige 2] (family life) is dan ook onbetwist. Dit betekent dat de man een verzoek voor een omgangsregeling met [minderjarige 2] kan indienen op grond van artikel 1:377a lid 2 BW.
Waar gaat het over?
4.5.
De man heeft op dit moment geen contact met [minderjarige 2] . Volgens hem komt dit omdat de vrouw niet blij is met zijn nieuwe partner, met wie hij nu samenwoont. De man wil graag een vaste rol spelen in het leven van zijn zoon. Omdat er nu geen contact is, maakt hij zich zorgen dat ze elkaar steeds minder zullen zien. Hij vindt het belangrijk dat er een vaste afspraak komt over wanneer ze contact hebben.
4.6.
De vrouw vindt het ook belangrijk dat de man contact heeft met [minderjarige 2] , maar ze wil duidelijke afspraken maken over wanneer ze elkaar zien, zodat [minderjarige 2] niet teleurgesteld wordt. Ook moet het veilig zijn voor [minderjarige 2] . Dit betekent dat de man niet mag blowen, drinken of hard rijden als hij met [minderjarige 2] is.
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen, met hulp van de Raad, overeenstemming bereikt over een voorlopige omgangsregeling. Zij hebben de rechtbank verzocht de afspraken in de beschikking op te nemen.
Partijen hebben afgesproken dat:
- [minderjarige 2] elke zaterdag van 13.00 tot 18.00 uur bij de man verblijft;
- als het niet regent, de vrouw [minderjarige 2] op de fatbike naar de man brengt en hem daar weer ophaalt;
- als het regent, de overdracht van [minderjarige 2] plaats vindt bij de [winkel] in [plaats] ;
- de man niet zal blowen, drinken of hard rijden (racen) wanneer [minderjarige 2] bij hem is;
- als [minderjarige 2] bij de man is, zij samen leuke dingen doen;
- de nieuwe partner van de man op de achtergrond blijft en niet actief betrokken is tijdens de tijd met [minderjarige 2] .
Partijen hebben ook afgesproken dat de omgangsregeling start op zaterdag 7 februari 2026 en dat zij wanneer deze regeling goed loopt onderling zullen overleggen over een uitbreiding daarvan.
4.8.
Nu niet gesteld of gebleken is dat deze afspraken in strijd zijn met het belang van [minderjarige 2] , zal de rechtbank conform de overeenstemming tussen partijen beslissen.
4.9.
De rechtbank zal deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit is niet verzocht en de rechtbank kan dit niet zelf beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat met ingang van 7 februari 2026, totdat in de bodemprocedure is beslist, de volgende voorlopige omgangsregeling geldt:
- [minderjarige 2] verblijft elke zaterdag van 13.00 tot 18.00 uur bij de man;
- als het niet regent, brengt de vrouw [minderjarige 2] op de fatbike naar de man en haalt hem daar weer op;
- als het regent, vindt de overdracht van [minderjarige 2] plaats bij de [winkel] in [plaats] ;
- de man zal niet blowen, drinken of hard rijden (racen) wanneer [minderjarige 2] bij hem is;
- als [minderjarige 2] bij de man is, doen zij samen leuke dingen;
- de nieuwe partner van de man blijft op de achtergrond en is niet actief betrokken tijdens de tijd met [minderjarige 2] .
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Knops-Pijper, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.