ECLI:NL:RBZWB:2026:1596
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Op tegenspraak
- G.H. Nomes
- N. van der Ploeg-Hogervorst
- L.W. Boogert
- Rechtspraak.nl
Bevel tot gevangenhouding wegens vrees voor herhaling terroristische misdrijven
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 24 februari 2026 een bevel tot gevangenhouding uitgesproken tegen de verdachte, geboren in 2007 in Syrië, die verdacht wordt van terroristische feiten. De rechter-commissaris had eerder op 13 februari 2026 de bewaring bevolen. De officier van justitie vorderde verlenging van de gevangenhouding voor 30 dagen, terwijl de verdediging schorsing van de voorlopige hechtenis verzocht.
De rechtbank oordeelde dat er geen ernstige bezwaren zijn voor het eerste feit, namelijk deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte een gedraging heeft verricht ter verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor het tweede feit zijn wel ernstige bezwaren aanwezig. De rechtbank baseert dit op de aard, duur en intensiteit van de feiten, de ideologische motieven van de verdachte en recente gedragingen, zoals het maken van een filmpje waarin de verdachte met een zwaard in een woonwijk loopt.
Gezien de ernst van de feiten en het gevaar voor de samenleving, weegt het strafvorderlijk belang zwaarder dan het persoonlijk belang van de verdachte bij invrijheidstelling. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af. De rechtbank verzoekt de officier van justitie een TER-rapportage op te laten maken voor de volgende raadkamerbehandeling om de mogelijkheden van schorsing nader te onderzoeken.
Uitkomst: De rechtbank beveelt gevangenhouding voor 30 dagen en wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af wegens ernstige bezwaren en vrees voor herhaling.