ECLI:NL:RBZWB:2026:1572

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
26/968
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 2 OpiumwetArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening last onder dwangsom wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een last onder dwangsom die door de burgemeester van Bergen op Zoom is opgelegd. Hij stelt dat deze last zijn bewegingsvrijheid ernstig beperkt en dat het besluit te lichtvaardig is genomen. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb besloten de zaak zonder zitting te behandelen.

De voorzieningenrechter benadrukt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend indien er sprake is van onverwijlde spoed. Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat er een spoedeisend belang bestaat. Het gebiedsverbod geldt weliswaar voor de hele gemeente, maar de last onder dwangsom beperkt zich tot specifieke handelingen met betrekking tot middelen als bedoeld in de Opiumwet.

De voorzieningenrechter oordeelt dat zolang verzoeker zich niet schuldig maakt aan deze handelingen, de last geen directe gevolgen heeft voor zijn bewegingsvrijheid. Bovendien kan verzoeker tegen een opgelegde dwangsom rechtsmiddelen aanwenden en eventueel opnieuw een voorlopige voorziening verzoeken bij financiële problemen.

Daarom wordt het verzoek afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/968

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. Z. Yeral),
en

de burgemeester van de gemeente Bergen op Zoom

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker inzake een opgelegde last onder dwangsom.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
5. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift gesteld dat hij door de last onder dwangsom ernstig wordt beperkt in zijn bewegingsvrijheid. De griffier heeft op 18 februari 2026 aan verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten.
6. Verzoeker heeft op 2 maart 2026 een schriftelijke onderbouwing gegeven waarom hij van mening is dat er sprake is van spoed. Hij is van mening dat er sprake is geweest van een onjuiste beoordeling door de politie en dat het besluit waarmee de last onder dwangsom is opgelegd, te lichtvaardig is genomen. Verzoeker heeft gesteld dat hij gedurende het bezwaar het risico loopt dat de politie of handhavers op een te lichtvaardige grond tot een overtreding van de last onder dwangsom kunnen komen.
7. De burgemeester heeft met de brief van 24 februari 2026 betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker met de door hem gegeven toelichting onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang. Hoewel het gebiedsverbod voor de hele gemeente Bergen op Zoom geldt, is in het gebiedsverbod specifiek bepaald van welke handelingen verzoeker zich dient te onthouden. Kort samengevat komt het erop neer dat verzoeker bij zijn handelingen niet het kennelijke doel mag hebben om middelen als bedoeld in artikel 2 of Pro 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Zolang verzoeker zich niet schuldig maakt aan deze handelingen, heeft de opgelegde last onder dwangsom geen directe gevolgen voor zijn bewegingsvrijheid.
9. Mede gelet op de expliciete beschrijving van de handelingen waarvan verzoeker zich moet onthouden, wordt verzoeker niet gevolgd in zijn stelling dat hij het risico loopt dat lichtvaardig wordt overgegaan tot het opleggen van een dwangsom. Overigens kan verzoeker, zoals de burgemeester terecht heeft opgemerkt in zijn brief van 24 februari 2026, als een dwangsom wordt opgelegd daartegen rechtsmiddelen aanwenden. Voor zover hij door een opgelegde dwangsom in (grote) financiële problemen komt, kan hij dan alsnog om een voorlopige voorziening verzoeken.
10. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een spoedeisend belang heeft bij een oordeel van de voorzieningenrechter. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 10 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.