ECLI:NL:RBZWB:2026:1554

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/6233
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij naheffingsaanslag omzetbelasting

Belanghebbende B.V. heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2025. De rechtbank beoordeelt dit beroep zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding.

De wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift is zes weken na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar, die op 15 augustus 2025 is gedateerd. De termijn eindigde derhalve op 26 september 2025. Het beroepschrift werd echter pas op 4 december 2025 digitaal ingediend, ruim na het verstrijken van de termijn.

Belanghebbende voerde aan dat de vertraging te wijten was aan privéomstandigheden van de adviseur die verantwoordelijk was voor het indienen van het beroepschrift. De rechtbank oordeelt dat dit niet leidt tot een verschoonbare termijnoverschrijding, aangezien de verantwoordelijkheid voor tijdige indiening bij belanghebbende zelf ligt. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en laat het bestreden besluit in stand.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van het beroepschrift zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6233

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 augustus 2025. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2025 tot en met 31 maart 2025 met aanslagnummer [aanslagnummer] F.01.5210.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 15 augustus 2025 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 26 september 2025. Belanghebbende heeft op 4 december 2025 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend. De rechtbank leidt uit een brief van de Belastingdienst van 25 november 2025 af dat belanghebbende al eerder op 13 november 2025 voor de tweede keer bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Ook als dit bezwaar door de inspecteur aan de rechtbank was doorgestuurd als beroepschrift, was het niet tijdig geweest.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende stelt dat de (voormalig) adviseur verantwoordelijk was voor het indienen van een bezwaar- en beroepschrift. Vanwege privéomstandigheden van de adviseur heeft reactie lang op zich laten wachten. Op het moment dat de beroepstermijn begon met lopen, heeft de adviseur geen actie ondernomen omdat hij ervan uitging dat belanghebbende zich bij de uitkomst zou neerleggen. Belanghebbende heeft pas de uitspraak op bezwaar ontvangen toen hij ernaar heeft gevraagd, en vervolgens direct het tweede bezwaarschrift van 13 november 2025 ingediend.
5. De rechtbank oordeelt dat de redenen die belanghebbende noemt, geen reden zijn voor een verschoonbare termijnoverschrijding. Daar waar belanghebbende aangeeft samen te hebben gewerkt met een adviseur, blijft belanghebbende zelf verantwoordelijk. Een nader geconstateerde fout van de adviseur - zoals het niet tijdig informeren van belanghebbende en het niet indienen van een beroepschrift - blijft voor rekening en risico van belanghebbende zelf. Daarbij maakt het niet uit of belanghebbende hier iets aan kon doen en of hem iets te verwijten viel. Het handelen of nalaten van de adviseur ligt in de risicosfeer van belanghebbende. De rechtbank oordeelt eveneens dat niet uit de onderbouwing van belanghebbende blijkt dat de gemachtigde niet in staat was eerder belanghebbende te informeren dan wel een beroepschrift in te dienen. Uit de stukken die belanghebbende heeft overgelegd, volgt daarom niet dat sprake is van een geringe verwijtbaarheid of een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 9 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.