ECLI:NL:RBZWB:2026:1548

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/2454
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WooArt. 6:12 AwbArt. 6:15 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij niet tijdig beslissen Woo-aanvraag

Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Justitie en Veiligheid op zijn aanvraag op grond van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank constateerde dat de beslistermijn was verstreken en dat het beroep rechtsgeldig was ingesteld.

Na het instellen van het beroep nam de minister alsnog een besluit. De rechtbank stelde vast dat eiser geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig beslissen en verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk. Vervolgens vroeg de rechtbank aan eiser of hij het eens was met het genomen besluit, maar eiser reageerde niet.

Daarom verwijst de rechtbank het beroep tegen het alsnog genomen besluit naar de minister ter behandeling als bezwaar. De rechtbank bepaalt tevens dat de minister het griffierecht aan eiser moet vergoeden, maar dat er geen andere proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het alsnog genomen besluit is verwezen naar de minister ter behandeling als bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2454

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

mr. [eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 19 februari 2025 als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
3. Partijen zijn het erover eens dat de beslistermijn voor de aanvraag was verstreken voordat eiser op 1 mei 2025 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat eiser rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister na het instellen van het beroep op 21 juli 2025 alsnog een besluit heeft genomen.
3.2.
Niet gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door de minister. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Op 6 augustus 2025 en 23 oktober 2025 heeft de rechtbank aan eiser schriftelijk de vraag voorgelegd of hij het al dan niet eens is met de beslissing van de minister. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat als er niet binnen de gestelde termijnen gereageerd wordt, de rechtbank ervan uit gaat dat eiser het niet eens is met het besluit. In dat geval wordt het beroep verder behandeld op grond van het eerder ingediende beroepschrift.
4.1.
Eiser heeft tot op heden niet op deze brieven gereageerd, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat eiser het niet eens is met het besluit van 21 juli 2025.
4.2.
Nu eiser nog geen inhoudelijke standpunten ten aanzien van het Woo-verzoek heeft ingediend, ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit te verwijzen naar de minister ter behandeling als bezwaar (artikel 6:20, vierde lid, van de Awb).
4.3.
Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift ingevolge artikel 6:15 van Pro de Awb als bezwaarschrift zal doorzenden aan het bestuursorgaan onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Nu dit beroepschrift reeds in bezit is van de minister zal de rechtbank hem dit niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
5. Omdat eiser het beroep niet ten onrechte heeft ingesteld moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verwijst het beroep tegen het besluit van 21 juli 2025 naar de minister ter behandeling als bezwaar;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.