ECLI:NL:RBZWB:2026:1546

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/4182
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 6:15 AwbArt. 8:54 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op handhavingsverzoek geluidsoverlast airco

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland op zijn handhavingsverzoek van 11 juli 2024 inzake geluidsoverlast van een airco unit. De rechtbank stelt vast dat het beroep rechtsgeldig is ingesteld en dat de beslistermijn was verstreken voordat het beroep werd ingediend.

Na het instellen van het beroep heeft het college op 10 oktober 2025 alsnog een besluit genomen. Hierdoor is niet gebleken dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaart het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Eiser heeft het beroep niet ingetrokken en is het niet eens met het besluit van het college. De rechtbank verwijst het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit naar het college ter behandeling als bezwaar. De rechtbank stelt de bestuurlijke dwangsom niet vast omdat het college al een dwangsombeslissing heeft genomen op 11 februari 2026.

Omdat het beroep niet ten onrechte is ingesteld, moet het college het griffierecht en een proceskostenvergoeding van €467,- aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter M. Breeman op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het college na het instellen van het beroep alsnog een besluit heeft genomen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4182

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Busse),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn handhavingsverzoek van 11 juli 2024 inzake geluidsoverlast van een airco unit.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
3. Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het handhavingsverzoek was verstreken voordat eiser op 22 augustus 2025 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat eiser rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat het college na het instellen van het beroep op 10 oktober 2025 alsnog een besluit heeft genomen.
3.2.
Niet gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door het college. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn handhavingsverzoek zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Doorzending
4. Bij brief van 31 oktober 2025 heeft de rechtbank aan eiser de vraag voorgelegd of hij het al dan niet eens is met de beslissing van het college. Eiser kan zich niet in dit besluit vinden, en heeft het beroep niet ingetrokken.
4.1.
Gelet op de aard van het geschil ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit te verwijzen naar het college ter behandeling als bezwaar.
4.2.
Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift en de nader ingediende stukken ingevolge artikel 6:15 van Pro de Awb als bezwaarschrift zal doorzenden aan het bestuursorgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Nu deze stukken al in het bezit zijn van het college zal de rechtbank hem dit niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
5. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [2]
6.1.
Omdat het college reeds een dwangsombeslissing heeft genomen op 11 februari 2026, zal de rechtbank de bestuurlijke dwangsom niet vaststellen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat eiser het beroep niet ten onrechte heeft ingesteld moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaatover de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verwijst het beroep tegen het besluit van 10 oktober 2025 naar het college ter behandeling als bezwaar;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.