Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Eiser had beroep ingesteld omdat het UWV niet tijdig had beslist op zijn bezwaar tegen de stopzetting van zijn uitkering op grond van de Ziektewet, welke stopzetting was gebaseerd op een besluit van 19 juli 2024. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was en deed uitspraak zonder zitting, zoals toegestaan onder artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelde vast dat het UWV de beslistermijn had overschreden en dat eiser het UWV op 11 februari 2025 in gebreke had gesteld. De rechtbank droeg het UWV op om binnen vier maanden na de uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar van eiser te nemen. Tevens werd een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn werd overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiser kreeg gelijk, en het UWV werd verplicht het griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden.