ECLI:NL:RBZWB:2026:1533

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444167 / FA RK 26-315
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Wet zorg en dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek second opinion en verlenging rechterlijke machtiging opname dementie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot verlenging van een rechterlijke machtiging voor opname en verblijf van betrokkene, die lijdt aan vasculaire dementie en zwakbegaafdheid. Betrokkene betwistte de diagnose en wilde niet langer opgenomen blijven, terwijl de specialist ouderengeneeskunde en verpleegkundige stelden dat opname noodzakelijk is vanwege ernstig nadeel en zorgbehoefte.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden betrokkene, zijn advocaat, een specialist ouderengeneeskunde en een verpleegkundige gehoord. De mentor van betrokkene steunde het verzoek tot verlenging. De advocaat verzocht primair om een second opinion vanwege twijfel over de diagnose, maar de rechtbank vond geen aanleiding om aan de gestelde diagnose te twijfelen en wees dit verzoek af.

De rechtbank stelde vast dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt door zijn aandoening, waaronder ernstige verwaarlozing, agressie naar anderen en gevaar voor veiligheid. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven en opname is noodzakelijk en geschikt om het nadeel te voorkomen. De machtiging werd daarom verlengd voor de duur van twaalf maanden tot 6 februari 2027.

De rechtbank erkende dat de huidige afdeling niet ideaal is, maar dat er geen beter alternatief is. De beslissing werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken, met mogelijkheid tot cassatie.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de rechterlijke machtiging voor opname van betrokkene voor twaalf maanden en wijst het verzoek om een second opinion af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444167 / FA RK 26-315
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot het verlenen van een machtiging als bedoeld in artikel 24 Wet Pro zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1958 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
wonend in [plaats] ,
verblijvende in de [accommodatie] , [locatie] , [adres] ,
advocaat: mr. J. Nederlof uit Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 20 januari 2026;
  • het e-mailbericht van [persoon 1] , mentor van betrokkene, van 27 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de heer [persoon 2] , specialist ouderengeneeskunde;
  • mevrouw [persoon 3] , verpleegkundige.
1.3.
Voorafgaand aan de zitting heeft de mentor van betrokkene de rechtbank schriftelijk bericht dat zij niet bij de zitting aanwezig kan zijn.

2.Wat vaststaat

2.1.
De rechtbank heeft een rechterlijke machtiging verleend tot en met 1 maart 2026. Betrokkene verblijft met deze machtiging in bovengenoemde locatie van [accommodatie] .
2.2.
Over betrokkene is bij beschikking van 22 april 2024 door de rechtbank een mentorschap ingesteld.

3.Het verzoek

3.1.
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van twaalf maanden.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene brengt, samengevat, naar voren dat hij niet op de afdeling thuishoort. Betrokkene is niet dement en wil dan ook niet langer opgenomen blijven. Volgens betrokkene valt het met getoonde agressie wel mee. Betrokkene is hooguit woordelijk fel, maar hij heeft nooit een ander wat aangedaan. Het hard roepen was tijdelijk en kwam voort uit frustratie. Nu is betrokkene rustig en trekt hij zich terug op zijn kamer.
4.2.
De specialist ouderengeneeskunde verklaart, samengevat, dat betrokkene zorg nodig heeft. Naar huis gaan, is voor betrokkene geen optie. Betrokkene heeft nu op meerdere afdelingen verbleven. Volgens de specialist ouderengeneeskunde vormt de huidige afdeling de beste plek voor betrokkene, al erkent hij dat het niet een ideale situatie is. Op de huidige afdeling verblijven mensen met agressieproblemen. Gezien wordt dat betrokkene boos en gefrustreerd kan reageren. Hiervan hebben andere bewoners last. Ten aanzien van de problematiek van betrokkene geldt dat hij voor een (te) korte periode is geobserveerd. Toen is niet helder geworden of op dit moment bij betrokkene de eerder door een arts vastgestelde dementie of een verstandelijke beperking op de voorgrond staat. Dat betrokkene lijdt aan vasculaire dementie staat niet ter discussie. Zo wordt bijvoorbeeld gezien dat betrokkene zich de inhoud van gevoerde gesprekken niet meer kan herinneren. De vraag is echter of er mogelijk ook sprake is van een licht verstandelijke beperking. Een mengbeeld is waarschijnlijk. Verwacht wordt dat hierover geen duidelijkheid kan komen, ook niet door een andere deskundige.
4.3.
De verpleegkundige vult hierop, samengevat, aan dat betrokkene moet worden geholpen in alle dagelijkse handelingen, zoals het wassen, kleden, innemen van medicatie en voeden. Op momenten is betrokkene gefrustreerd en weigert hij zorg. Betrokkene heeft de structuur van de afdeling nodig.
4.4.
De mentor van betrokkene heeft bij e-mailbericht van 27 januari 2026 aan de rechtbank laten weten dat zij niet bij de zitting aanwezig kan zijn en dat zij achter het verzoek tot verlenging van de rechterlijke machtiging staat.
4.5.
De advocaat van betrokkene verzoekt de rechtbank primair om een deskundige te benoemen zodat onderzocht kan worden welke problematiek van betrokkene op de voorgrond staat. Uit het betoog van de specialist ouderengeneeskunde blijkt dat twijfel bestaat over de aanwezigheid van een psychogeriatrische aandoening. Een second opinion van een deskundige is daarom passend. In afwachting daarvan moet de rechtbank de beslissing op het verzoek tot verlening van een rechterlijke machtiging aanhouden.
Subsidiair verzoekt de advocaat van betrokkene om het verzoek af te wijzen. Als sprake is van dementie, geldt de Wzd. Ook kan in dat geval worden aangenomen dat sprake is van ernstig nadeel. Betrokkene is echter helder in zijn wens. Hij wil niet op de huidige afdeling opgenomen blijven en daarnaast twijfelt hij aan de gestelde diagnose dementie. Meer subsidiair refereert de advocaat van betrokkene zich aan het oordeel van de rechtbank.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en tijdens de zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten vasculaire dementie in combinatie met zwakbegaafdheid. De enkele ontkenning van betrokkene dat er iets met hem aan de hand is, geeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de medische verklaring en de daarin gestelde diagnose. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om een deskundige te benoemen en een second opinion uit te voeren. Daarbij betrekt de rechtbank dat volgens de specialist ouderengeneeskunde ook door een andere deskundige niet te achterhalen is of bij betrokkene op dit moment een verstandelijke beperking of dementie op de voorgrond staat, terwijl dat in deze zaak voor de toepasselijkheid van de Wzd geen relevant verschil maakt.
5.3.
Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstige verwaarlozing;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag; en
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
5.4.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat er sprake is van een risico op ernstige verwaarlozing als betrokkene met ontslag gaat of zijn zorgkader vrijwillig wordt voortgezet. Betrokkene beschikt niet meer over een woning, is niet langer in staat om voor zichzelf te zorgen en heeft ondersteuning nodig bij alle dagelijkse handelingen. Daarnaast is betrokkene regelmatig verbaal en fysiek agressief naar anderen, met name naar zorgpersoneel. Op momenten dat betrokkene gefrustreerd is, toont hij weerstand tegen noodzakelijke zorg. In de nacht van 9 januari 2026 heeft hij een doodsbedreiging geuit richting een zorgverlener.
5.5.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene heeft geen ziektebesef of ziekte-inzicht, hoewel hij 24-uurs zorg nodig heeft. Die zorg kan in een thuissituatie niet worden geboden. Ook heeft betrokkene geen mogelijkheid tot zelfregulatie als hij frustratie ervaart. Hij heeft dan zorgpersoneel nodig om hem met een juiste benadering of eventueel met medicijnen te kalmeren. Betrokkene is dus gebaat bij en afhankelijk van aansturing en begeleiding in de nabijheid, maar verzet zich tegen de opname en het verblijf in de huidige accommodatie. Dit heeft betrokkene de rechtbank tijdens de zitting duidelijk te kennen gegeven. De rechtbank merkt naar aanleiding daarvan op dat, zoals de specialist ouderengeneeskunde ook tijdens de zitting heeft gezegd, de huidige afdeling waar betrokkene verblijft in verband met de door hem getoonde agressie, niet ideaal is. Er is op dit moment echter niet een beter alternatief. Het is niet aan de rechtbank om te bepalen in welke accommodatie betrokkene verblijft. Tijdens de zitting heeft de rechtbank wel tegen betrokkene en de specialist ouderengeneeskunde de hoop uitgesproken dat er op termijn een andere, beter passende plek voor betrokkene wordt gevonden.
5.6.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
5.7.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van twaalf maanden.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1958 in [geboorteplaats] ;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 6 februari 2027.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026 door mr. De Jong, rechter, in aanwezigheid van mr. Vos, als griffier, en op schrift gesteld op 20 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.