ECLI:NL:RBZWB:2026:1530

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443683 / JE RK 26-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-ter VerordeningArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling en ouderlijke conflicten

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 6 februari 2026 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2024. De minderjarige wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd door conflicten tussen de ouders, signalen van huiselijk geweld en een voortdurende echtscheidingsstrijd die het contact met beide ouders bemoeilijkt.

De procedure werd mondeling behandeld met gesloten deuren, waarbij beide ouders en vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling aanwezig waren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag en stemmen in met het verzoek tot ondertoezichtstelling, evenals de gecertificeerde instelling.

De kinderrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Op grond van artikel 1:255 BW Pro is voldaan aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling, omdat de zorg die nodig is om de bedreiging weg te nemen niet voldoende wordt geaccepteerd door de ouders en er een verwachting is dat zij binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid kunnen dragen.

De ondertoezichtstelling wordt voor de duur van een jaar opgelegd, met als doelen onder meer het bevorderen van een leeftijdsadequate ontwikkeling, stabiliteit in woonplaats en contact met ouders, en het verbeteren van de communicatie en samenwerking tussen de ouders. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling voor de duur van een jaar wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443683 / JE RK 26-13
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Jozefzoon-Flipse uit Utrecht,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G. Groen uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Eindhoven.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 januari 2026;
- het bericht van de Raad met bijlage, ontvangen op 15 januari 2026;
- het bericht van de Raad met bijlage, ontvangen op 20 januari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder (via een Teams-verbinding), bijgestaan door haar advocaat (via een Teams-verbinding);
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Vanwege de nauwe samenhang heeft de kinderrechter de onderhavige zaak gezamenlijk behandeld met de verzoeken van de man, bekend onder zaaknummer
432788 FA RK 25-1197. Deze verzoeken zullen op een later moment afzonderlijk nader worden behandeld op zitting. Dat komt omdat er geen tolk voor de moeder was verschenen. Partijen stelden zich wel op het standpunt dat er direct een beslissing zou kunnen worden genomen over de verzochte ondertoezichtstelling.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] heeft zijn
voorlopigehoofdverblijfplaats bij de vader, maar verblijft feitelijk week op week af bij de moeder en de vader.
2.3.
Bij beschikking van [geboortedag] 2025 is bepaald dat [minderjarige]
voorlopigom de week een aaneengesloten week bij de vrouw verblijft, in onderling overleg te bepalen in welke week hij bij wie verblijft en welke dag de dag van de overdracht is.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek.
4.2.
De moeder is akkoord met het verzoek.
4.3.
De vader is akkoord met het verzoek.
4.4.
De GI sluit zich aan bij het standpunt van de Raad.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de man de Marokkaanse en Belgische nationaliteit heeft. De vrouw en [minderjarige] hebben de Marokkaanse nationaliteit. Nu het verzoek een internationaal karakter heeft, dient de rechtbank ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.
5.2.
Ingevolge artikel 7 van Pro de Brussel II-ter Verordening zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond
van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het
verzoek worden toegepast.
Wettelijk kader
5.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft in zijn jonge leven al veel meegemaakt, zoals conflicten en spanningen tussen de ouders. Daarnaast zijn er signalen dat er sprake is geweest van huiselijk geweld tussen de ouders, waar [minderjarige] getuige van is geweest. Voorts is het gebleken dat [minderjarige] geen onbelast contact kan hebben met beide ouders, wat van invloed kan zijn op de hechting. Ook zijn er zorgen over de voortdurende echtscheidingsstrijd tussen de ouders en het gebrek aan communicatie en onderling vertrouwen. De standpunten van de ouders lopen zeer uiteen en het lukt hen onvoldoende om afspraken te maken en samen te werken in het belang van [minderjarige] . Tevens zijn er signalen dat er sprake is (geweest) van ongelijkwaardigheid tussen de ouders. Tot slot maakt de kinderrechter zich zorgen over de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] , nu de vader zijn voornaam niet lijkt te accepteren en hem bij een andere naam noemt. De betrokkenheid van de GI als regievoerder is nodig, zodat er door middel van de inzet van hulpverlening zicht kan worden verkregen op de opvoedsituaties van beide ouders. De GI kan deze hulpverleningstrajecten ook monitoren, veiligheidsafspraken met de ouders maken, met de ouders afspraken maken over de omgang en de overdrachtsmomenten begeleiden op een (neutrale) locatie in Nederland. De kinderrechter is, met de Raad en de GI, van oordeel dat er zo snel mogelijk duidelijkheid moet komen voor [minderjarige] .
5.7.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, noodzakelijk. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom – onweersproken – onder toezicht van de GI voor de verzochte duur van een jaar. Er moeten immers nog veel stappen worden gezet.
5.8.
De komende periode dient gewerkt te worden aan de volgende doelen:
  • [minderjarige] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat;
  • [minderjarige] weet waar hij kan en mag verblijven qua wonen, waardoor hij rust, stabiliteit, duidelijkheid en voorspelbaarheid ervaart;
  • De ouders zijn voor [minderjarige] betrouwbare en veilige hechtingsfiguren. [minderjarige] ervaart blijvend stabiliteit en continuïteit in het contact met zijn ouders;
  • [minderjarige] heeft een positief, veilig en onbelast contact met zijn beide ouders, maar ook met andere belangrijke personen;
  • De ouders belasten [minderjarige] niet met hun (onderlinge) spanningen;
  • Er is zicht op de opvoedvaardigheden van de vader met betrekking tot [minderjarige] , zodat duidelijk wordt of de vader in staat is tot het sensitief (opmerken van signalen) en responsief (afstemmen op de signalen) opvoeden van [minderjarige] ;
  • Er is zicht op de opvoedomgeving van de moeder, zodat duidelijk wordt of hierin zorgen zijn;
  • De ouders kunnen communiceren en afspraken maken in het belang van [minderjarige] , voor zover er voldoende veiligheid is die dit toelaat;
  • De ouders respecteren elkaar als opvoeder en doen geen negatieve uitlatingen over elkaar in het bijzijn van [minderjarige] ;
  • De ouders richten zich op de toekomst en stellen het belang van [minderjarige] voorop.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.10.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 6 februari 2026 en tot 6 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.