ECLI:NL:RBZWB:2026:1523

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/02/410132 / FA RK 23-2534
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorg- en contactregeling minderjarige kinderen met professionele begeleiding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 6 februari 2026 een verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling tussen een man en zijn vier minderjarige kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming bracht een rapport uit waarin werd geadviseerd om voor drie kinderen videobelcontact onder professionele begeleiding vast te stellen en voor één kind begeleide activiteiten te organiseren. Voor het vierde kind werd het verzoek tot contact afgewezen vanwege haar persoonlijke situatie.

Tijdens de mondelinge behandeling gaven de kinderen, voor zover zij dat wensten, hun mening over het contact met de man. De ouders en de gecertificeerde instelling stemden in met het advies van de Raad. De man gaf aan aan zichzelf te werken en woonde dichter bij zijn ouders om de omgang te verbeteren.

De rechtbank wijzigde de bestaande zorgregeling en legde vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 3] eens per twee weken videobelcontact hebben met de man onder professionele begeleiding. Voor [minderjarige 4] geldt een begeleide activiteit eens per zes weken. Contact met [minderjarige 2] wordt voorlopig afgewezen, maar kan in de toekomst in overleg met haar behandelaar worden vormgegeven. De beslissing is direct uitvoerbaar, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank stelt een aangepaste zorg- en contactregeling vast met videobelcontact en begeleide activiteiten onder professionele begeleiding, en wijst het contactverzoek voor één kind voorlopig af.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/410132 / FA RK 23-2534
datum uitspraak: 6 februari 2026
nadere beschikking betreffende een wijziging zorgregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.L. Berkel te Veenendaal,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland te Bergen op Zoom.
Ouders van de nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2013;
- [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2013.
Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien:
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Eindhoven.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verdere procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
  • de beschikking van deze rechtbank van 13 maart 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het rapport van de Raad met bijlagen van 16 januari 2026.
1.2
Het verzoek is door de rechtbank gelijktijdig met het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen (zaaknummer C/02/443851 / JE RK 26-41) mondeling behandeld op 23 januari 2026. Op laatstgenoemd verzoek is per separate beschikking beslist. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster namens de Raad en twee vertegenwoordigsters namens de GI.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 4] heeft hier geen gebruik van gemaakt. [minderjarige 3] heeft een kort briefje naar de kinderrechter geschreven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een gesprek gehad met de kinderrechter. Tijdens dit gesprek hebben zij hun mening gegeven. De kinderrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling samengevat wat de kinderen hebben verteld. Alle aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De nadere beoordeling

2.1
De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 13 maart 2025. Hierin is het verzoek van de man om de vrouw te verbieden op een grotere afstand dan in het door partijen gesloten ouderschapsplan is overeengekomen van de man te gaan wonen en, voor zover de vrouw inmiddels met de kinderen is verhuisd buiten de overeengekomen straal met als middelpunt de woonplaats van de man met een maximale reisduur van één uur, de vrouw te gelasten binnen een in goede justitie te bepalen termijn om terug te verhuizen of om zich te vestigen op een zodanige afstand van de man dat omgang tussen de kinderen en de man kan plaatsvinden op een wijze als is overeengekomen en is voorzien in het ouderschapsplan afgewezen. Ook is het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] afgewezen. De beslissing omtrent de zorg- en contactregeling is aangehouden.
2.2
Op 16 januari 2026 heeft de Raad de rechtbank een rapport doen toekomen. In dit rapport concludeert de Raad dat de kinderen, maar ook de ouders, behoefte hebben aan duidelijkheid en rust rondom en over het contact tussen de kinderen en de man, zodat een periode van onzekerheid afgerond kan worden. De Raad adviseert ten aanzien van [minderjarige 1] om een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] en de man eens per twee weken op woensdagmiddag een videobelcontact hebben onder (professionele) begeleiding, in voortzetting zoals dit nu al loopt. Ten aanzien van [minderjarige 3] adviseert de Raad een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 3] en de man eens per twee weken, bijvoorbeeld op woensdagmiddag, een videobelcontact hebben onder (professionele) begeleiding, voor een door de GI nader te bepalen duur. Ondanks dat [minderjarige 3] er zelf niet de voorkeur aan geeft een vast belmoment met de man te bepalen, is dit voor de praktische haalbaarheid en uitvoering wel nodig. [minderjarige 3] kan dan, net zoals bij zoiets als een sporttraining, in de agenda zetten wanneer hij met de man contact heeft, zodat er niet plotseling een contact met vrienden voor moet wijken. Voor [minderjarige 4] is het belangrijk dat gekeken wordt naar het opbouwen van een begeleid, persoonlijk contact met de man waarbij de man een activiteit met [minderjarige 4] onderneemt zoals bowlen of ergens wat eten, die duidelijk gekaderd is in de tijd, zodat het voor [minderjarige 4] behapbaar, voorspelbaar en overzichtelijk blijft. [minderjarige 4] geeft aan dit te willen, alleen met één van de andere kinderen erbij. De Raad vindt het daarom belangrijk dat toegewerkt wordt naar een activiteit tussen [minderjarige 4] en de man, bij voorkeur samen met iemand anders uit het gezin, waarbij het uitgangspunt is een frequentie van minimaal eens per zes weken. Op die manier is er regelmatig contact, zijn er voldoende mogelijkheden voor contactopbouw met de man en staat de frequentie activiteiten van [minderjarige 4] niet in de weg. De Raad adviseert ten aanzien van [minderjarige 4] dan ook een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 4] onder (professionele) begeleiding eens per zes weken een activiteit onderneemt met de man, voor een door de GI nader te bepalen duur. Ten aanzien van [minderjarige 2] adviseert de Raad om het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling tussen hem en [minderjarige 2] af te wijzen. Het is op dit moment niet passend om een contactregeling met de man vast te leggen. Echter kan contact in afstemming met [minderjarige 2] en haar behandelaar wel vorm krijgen zodra zij daar in de nabije en/of de verdere toekomst aan toe is. Voor alle vier de kinderen geldt dat de mogelijkheid voor uitbreiding van het contact in de toekomst blijft bestaan. Hierbij is het voor dit moment nog van belang dat de regie omtrent de omgang niet bij de kinderen zelf komt te liggen, maar dat de GI deze regie houdt in het kader van de ondertoezichtstelling.
2.3
Door en namens de vrouw is tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat ze het eens is met het advies van de Raad. De vrouw kan, nu ze hoort van de GI waarom er is gekozen voor twee ZZP-ers als omgangsbegeleiders, ermee instemmen dat zij de omgangsmomenten gaan begeleiden. Echter heeft de vrouw ook vanuit haar netwerk familieleden aangedragen die bij de omgang kunnen zijn; zij hebben een pedagogische achtergrond. Dit zijn personen die de kinderen volledig vertrouwen en waar ze met regelmaat komen. Een contactmoment kan op deze manier makkelijker tot stand komen en worden gepland.
2.4
Door en namens de man is tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij zich in oktober heeft aangemeld bij [hulpverlening] en dat hij momenteel op de wachtlijst voor hulpverlening staat. De man werkt aan zichzelf en is verhuisd naar waar hij oorspronkelijk vandaan komt. Dit heeft hij voor de kinderen gedaan, zodat ze niet in dezelfde situatie terecht komen als de omgang wordt opgestart. Ook woont de man nu dichterbij zijn ouders. De man accepteert dat alle kinderen iets anders willen in het contact met hem en wil ze de tijd geven die ze nodig hebben. Ook kan hij ermee instemmen dat de personen die de vrouw uit haar familie noemt, betrokken worden bij de omgang. Wel zou hij graag willen dat er ook wordt gekeken of zijn ouders betrokken kunnen worden bij de omgang.
2.5
De GI heeft gesteld het eens te zijn met het advies van de Raad. Momenteel heeft [minderjarige 1] videobelcontact met de man. Dit verloopt goed. Echter ligt dit nu een aantal weken stil, omdat er kennis moet worden gemaakt met de nieuwe omgangsbegeleiders, zodat de GI deze gesprekken niet zelf meer hoeft te begeleiden. De vrouw heeft hier moeite mee, omdat deze omgangsbegeleiders ZZP-ers zijn. Echter hebben zij de minst lange wachttijd, waardoor hiervoor gekozen is. Hierbij zijn zij ook in de weekenden en avonden beschikbaar. Er is momenteel geen contact tussen de man en [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 2] .
2.6
Door [minderjarige 2] is tijdens het gesprek met de kinderrechter naar voren gebracht dat het goed met haar gaat thuis en dat ze het naar haar zin heeft op school. Ze heeft therapie bij [therapeut] en ook dit verloopt goed en is helpend. Ze wil eerst de ruimte krijgen om aan zichzelf te werken en zich goed te voelen en pas daarna wil ze over contact met de man nadenken. De man heeft haar een appje gestuurd op haar verjaardag, maar verder hebben ze geen contact.
2.7
[minderjarige 1] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter naar voren gebracht dat het goed met hem gaat thuis en op school. Hij merkt wel dat er nu een mondelinge behandeling is, want dan is er wat meer stress thuis. [minderjarige 1] heeft geen hulpverlening nodig, omdat het goed met hem gaat. [minderjarige 1] videobelt eens in de twee weken op woensdag met de man en ook dit gaat goed. Hij wil deze regeling momenteel niet uitbreiden. Het is op dit moment stilgelegd, omdat er twee nieuwe omgangsbegeleiders worden ingezet en [minderjarige 1] moet nog kennismaken. Dit is er nog niet van gekomen.
2.8
[minderjarige 3] heeft in zijn brief aan de kinderrechter geschreven dat als hij de man wil zien, hij dit aan de vrouw zal vertellen.
2.9
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het rapport van de Raad is gebleken dat het momenteel goed gaat met de kinderen. Ze zijn ieder op hun eigen manier bezig om zich te ontwikkelen en hebben in gesprekken met de Raad aangegeven wat zij wensen in het contact met de man. Hierbij heeft de Raad vastgesteld dat hun wensen hierin haalbaar en tevens in hun belang zijn. De ouders hebben beiden verklaard achter het door de Raad gegeven advies met betrekking tot het contact en de kinderen te staan en een eindbeslissing te wensen.
Ook de rechtbank vindt dat er duidelijkheid moet komen voor de kinderen, maar ook voor de ouders, over het contact tussen de man en de kinderen en zal, mede gezien de instemming van de ouders, de zorg- en contactregeling zo vaststellen als door de Raad is geadviseerd. Ten aanzien van [minderjarige 3] stelt de rechtbank vast dat [minderjarige 3] er zelf niet de voorkeur aan geeft een vast belmoment met de man te bepalen. Dit is echter voor de praktische haalbaarheid en uitvoering wel nodig. Ten aanzien van [minderjarige 4] is het belangrijk dat gekeken wordt naar het opbouwen van een begeleid, persoonlijk contact met de man waarbij de man een activiteit met [minderjarige 4] onderneemt zoals bowlen of ergens wat eten, die duidelijk gekaderd is in de tijd, zodat het voor [minderjarige 4] behapbaar, voorspelbaar en overzichtelijk blijft. [minderjarige 4] geeft aan dit te willen, alleen met één van de andere kinderen erbij. De rechtbank vindt het, met de Raad, daarom belangrijk dat toegewerkt wordt naar een activiteit tussen [minderjarige 4] en de man, bij voorkeur samen met iemand anders uit het gezin, waarbij het uitgangspunt is een frequentie van minimaal eens per zes weken. Omdat het voor [minderjarige 2] momenteel niet passend is om een zorg- en contactregeling met de man vast te leggen, zal de rechtbank het verzoek ten aanzien van haar afwijzen. Echter kan contact in afstemming met [minderjarige 2] en haar behandelaar wel vorm krijgen zodra zij daar in de nabije en/of de verdere toekomst aan toe is. Hierbij stelt de rechtbank ten overvloede dat voor alle vier de kinderen geldt dat de mogelijkheid voor uitbreiding van het contact in de toekomst blijft bestaan.
2.1
In de zaak met zaaknummer C/02/443851 / JE RK 26-41 is de ondertoezichtstelling voor de kinderen uitgesproken voor acht maanden. Binnen deze acht maanden is het de taak van de GI om de contact- en omgangsregeling te plannen, te regelen en te borgen. Leidraad hierbij is hetgeen de Raad heeft geadviseerd in zijn rapport van 16 januari 2026. Hier moet ook oog zijn voor het netwerk en wat het netwerk hierin (op de korte of de langere termijn) kan gaan betekenen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.11
De rechtbank verklaart de beslissing ten aanzien van de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 27 oktober 2017 en de in het daarin opgenomen ouderschapsplan d.d. 12 oktober 2017 overeengekomen zorgregeling, dat [minderjarige 1] en de man eens per twee weken op woensdagmiddag een videobelcontact hebben onder (professionele) begeleiding;
3.2
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 27 oktober 2017 en de in het daarin opgenomen ouderschapsplan d.d. 12 oktober 2017 overeengekomen zorgregeling, dat er geen omgang plaatsvindt tussen de man en [minderjarige 2] ;
3.3
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 27 oktober 2017 en de in het daarin opgenomen ouderschapsplan d.d. 12 oktober 2017 overeengekomen zorgregeling, dat [minderjarige 3] en de man eens per twee weken (bijvoorbeeld op woensdagmiddag) een videobelcontact hebben onder (professionele) begeleiding, voor een door de GI nader te bepalen duur;
3.4
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 27 oktober 2017 en de in het daarin opgenomen ouderschapsplan d.d. 12 oktober 2017 overeengekomen zorgregeling, dat [minderjarige 4] onder (professionele) begeleiding eens per zes weken een activiteit onderneemt met de man, voor een door de GI nader te bepalen duur;
3.5
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026 in tegenwoordigheid van drs. Swint, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.