ECLI:NL:RBZWB:2026:1513

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443847 / JE RK 26-39
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2013 en 2016, die sinds februari 2025 onder toezicht staan. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit en het hoofdverblijf is recentelijk gewijzigd naar de vader.

De gecertificeerde instelling stelt dat de ontwikkeling van de kinderen nog steeds ernstig wordt bedreigd, mede doordat de herstelgesprekken met de moeder nog in een beginfase zijn en het wantrouwen tussen de ouders groot blijft. Hulpverlening is gestart of staat op het punt te beginnen, waaronder het traject Parallel Solo Ouderschap. De vader en moeder staan open voor hulpverlening, maar betreuren het dat het afgelopen jaar weinig vooruitgang is geboekt.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling zijn vervuld. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet voldoende worden weggenomen zonder voortzetting van de ondertoezichtstelling, omdat de hulpverlening onder dwangregie moet worden voortgezet. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd voor een jaar en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443847 / JE RK 26-39
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
  • een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de mogelijkheid gegeven om te zeggen wat zij van het verzoek vinden, maar zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 13 februari 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 13 februari 2025 en tot 13 februari 2026. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader verleend met ingang van 13 februari 2025 en tot 13 februari 2026.
2.3.
Bij beschikking van 20 januari 2026 is bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het hoofdverblijf bij de vader hebben.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig, omdat er nog geen structurele omgang tussen de kinderen en de moeder is. De herstelgesprekken tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de moeder bevinden zich nog in de beginfase vanwege de wachtlijsten bij de hulpverlening. De GI heeft wel individuele gesprekken met de ouders gevoerd. De moeder heeft nog geen erkenning gegeven aan de kinderen voor het gevoel van onveiligheid wat er is geweest in de periode dat de kinderen bij de moeder en de stiefvader thuis woonden. Daarbij komt dat het wantrouwen tussen de ouders op dit moment nog erg hoog is. Hoewel beide ouders recentelijk hebben aangegeven open te staan voor hulpverlening voor de onderlinge communicatie, moet deze nog worden ingezet. Parallel Solo Ouderschap zal op korte termijn kunnen gaan starten. Voorts zal de GI samen met de ouders gaan bepalen welke aanvullende hulpverlening passend is voor [minderjarige 2] . Op dit moment zijn de praktijken [hulpverlening 1] en [hulpverlening 2] betrokken bij de kinderen. Er dient strakke regie gevoerd te worden, zodat hulpverlening benut blijft worden en verder ingezet raakt. Ouders zijn in onderling overleg tot overeenstemming gekomen over wijziging van het hoofdverblijf naar vader. Om deze reden is geen verlenging van de machtiging gevraagd en lijkt daarmee het perspectief van de minderjarigen duidelijk.
4.2.
De vader vindt het verzoek voor een verlenging van de ondertoezichtstelling jammer. Hij betreurt het dat er het afgelopen jaar weinig is aangepakt door de GI en had hier meer van verwacht. Ondanks dat de kinderen het spannend vinden, vindt de vader het goed dat er een gesprek plaatsvindt tussen de moeder en de kinderen over de door hen ervaren onveiligheid. Dit is nodig omdat met name [minderjarige 2] vanwege de situatie bij de moeder worstelt met zijn gevoelens en zich onbegrepen voelt. De vader staat open voor hulpverlening omtrent de communicatie met de moeder.
4.3.
De moeder geeft aan dat ze het verzoek voor een verlenging van de ondertoezichtstelling spijtig vindt. Ze is bovendien verdrietig dat ze haar kinderen zo weinig ziet en dat hier het afgelopen jaar weinig vooruitgang in is geboekt. De moeder staat open voor hulpverlening voor verbetering van de communicatie met de vader.
4.4.
De Raad is het eens met het verzoek. Nu ouders overeenstemming hebben bereikt over wijziging van het hoofdverblijf naar vader, is duidelijk waarom er geen verlenging van de machtiging is verzocht. Ook lijkt er hiermee duidelijkheid te komen over hun perspectief.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat de haalbare eindsituatie van de ondertoezichtstelling nog niet is gehaald. De kinderrechter stelt vast dat er nog geen structurele omgang plaatsvindt tussen de moeder en de kinderen. Hier moet, met inachtneming van de draagkracht van de kinderen, onder begeleiding van hulpverlening naartoe worden gewerkt. Bij het wegvallen van de ondertoezichtstelling is op dit moment de kans reëel dat het gemaakte positieve begin, onder andere in het herstellen van het contact tussen [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en hun moeder, komt te vervallen. De al ingezette hulpverlening voor de kinderen moet worden gecontinueerd en er dient gekeken te worden naar welke verdere hulp voor [minderjarige 2] nodig is. De kinderrechter stelt namelijk vast dat er zorgen zijn over [minderjarige 2] , hetgeen met name betrekking heeft op zijn kind-eigen problematiek. Verder moet er hulpverlening worden ingezet voor de communicatie tussen de ouders. Het wantrouwen tussen hen blijft namelijk groot. Als het goed is gaat op korte termijn het traject van Parallel Solo Ouderschap van start. Dit is een belangrijke stap, nu het terugdringen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] namelijk mede afhankelijk is van het creëren van samenwerking tussen de ouders.
5.5.
De kinderrechter deelt de mening van de ouders dat het jammer is dat er het afgelopen jaar niet meer concrete stappen onder begeleiding van hulpverlening zijn gezet. Zij stelt vast dat er voor de kinderen en de ouders wel perspectief is: inmiddels is hulpverlening gestart of gaat op korte termijn starten, en er zijn met de nieuwe jeugdbeschermer duidelijke doelen bepaald voor de komende periode. De insteek is dat na het behalen hiervan naar het vrijwilliger kader kan worden toegewerkt.
5.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de GI vanuit een dwangkader de regie moet voeren zodat de huidige hulpverlening wordt gecontinueerd en verdere hulpverlening kan worden ingezet.
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 13 februari 2026 en tot 13 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.