ECLI:NL:RBZWB:2026:1512

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443606
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 5 februari 2026 een beschikking gegeven in een zaak betreffende ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor één kind, welke laatste aanvraag tijdens de zitting werd ingetrokken.

De feiten betreffen drie kinderen die erkend zijn door de vader en bij de moeder wonen, die het ouderlijk gezag uitoefent. Er is sprake van ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen door langdurige echtscheidingsproblematiek, huiselijk geweld tussen ouders en kinderen, en stagnatie in de ontwikkeling van de kinderen. De ouders zijn onvoldoende in staat om de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren.

De rechtbank oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan, gezien de ernstige ontwikkelingsbedreiging en het ontbreken van voldoende emotionele veiligheid en sturing. De kinderen worden onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering voor de duur van een jaar. Het verzoek tot uithuisplaatsing is afgewezen vanwege intrekking.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ouders en de gecertificeerde instelling zijn het eens met de doelen die tijdens de ondertoezichtstelling nagestreefd moeten worden, waaronder het voorkomen van huiselijk geweld en het bevorderen van emotionele veiligheid en ontwikkeling van de kinderen.

Uitkomst: De rechtbank stelt drie minderjarige kinderen onder toezicht en wijst het verzoek tot uithuisplaatsing af na intrekking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443606 / JE RK 26-2
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedag 3] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. L.A.P. van Haperen uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.W.F. van Wijk uit Helmond.
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,gevestigd in Amsterdam
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
1.
Het verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 januari 2026;
  • het raadsonderzoek van 31 december 2025;
  • de stelbrief van de advocaat van de moeder van 21 januari 2026;
  • de stelbrief van de advocaat van de vader van 23 januari 2026.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3. Hoewel de advocaat van de vader correct is opgeroepen, is zij niet bij de zitting verschenen. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de advocaat van de vader. De vader en de overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar.
1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. Zij hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De uitnodigingen zijn op de juiste wijze verstuurd. De moeder merkt op dat zij geen uitnodigingen heeft ontvangen.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
2.3.
[minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij hun moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige 1]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden.
3.3.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
Tijdens de zitting trekt de Raad het verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, aan dat er ernstige zorgen bestaan over de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De kinderen verkeren al jarenlang in de forse echtscheidingsproblematiek van de moeder en de vader. Er is sprake van huiselijk geweld tussen zowel de ouders onderling, de kinderen onderling en tussen de ouders en de kinderen. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn gestagneerd in hun ontwikkeling. De emotionele veiligheid, sturing en nabijheid zijn onvoldoende aanwezig. Het lukt de ouders niet om afstemming te vinden over wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nodig hebben.
4.2.
Het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] was gedaan toen sprake was van een crisisplaatsing, maar [minderjarige 1] is inmiddels weer thuis. Dit deel van het verzoek zal daarom worden ingetrokken. Het is positief dat het nu goed gaat, maar het is nog wel een heel kwetsbare situatie. Wanneer sprake is van stress valt men snel terug in oude patronen. Er moet echt op worden ingezet om dit te voorkomen, aangezien [minderjarige 1] al over anderhalf jaar achttien jaar wordt. De ouders moeten daar hulp bij krijgen. De GI moet alert blijven of het veilig genoeg thuis is voor de kinderen en indien dat niet het geval is moet worden onderzocht wat wel de juiste plek is voor de kinderen.
4.3.
In de beschikking van 9 januari 2026 is een nieuwe omgangsregeling afgesproken. Deze wordt nageleefd.

5.Het standpunt van belanghebbende

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de ondertoezichtstelling. [minderjarige 1] verblijft inmiddels niet meer bij [zorgorganisatie] . Zij is twee weken geleden voor het eerst weer dagen naar huis gekomen. Dat ging zo goed dat er is besloten dat [minderjarige 1] weer naar huis mocht komen. Het contact tussen de moeder en de vader was erg slecht, maar sinds [minderjarige 1] op de groep bij [zorgorganisatie] heeft gezeten gaat het communiceren met de vader redelijk. De moeder staat open voor hulpverlening voor de kinderen en haarzelf.
5.2.
Door de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in de ondertoezichtstelling. Het contact met de kinderen en de vader is goed. De kinderen komen om de week het weekend naar hem. [minderjarige 2] gaat op dit moment niet naar school. De vader krijgt maatschappelijk hulp. Naar omstandigheden gaat het contact met de moeder goed. De vader hoopt door te stromen naar een eigen appartement. De vader heeft een nieuwe partner die ook kinderen heeft. Zij hebben voorlopig niet het plan om samen te gaan wonen.

6.Het standpunt van de GI

6.1.
De GI kan zich vinden in het verzoek van de Raad. De GI is van mening dat een belangrijk doel, naast de doelen in het rapport van de Raad, zou moeten zijn dat er geen sprake is van huiselijk geweld. Dat wil zeggen geen geweld tussen de ouders onderling, tussen de kinderen onderling en tussen de kinderen en de ouders. Het huiselijk geweld is namelijk zo zorgelijk dat daar een duidelijk doel voor dient te worden opgesteld.

7.De beoordeling

Ondertoezichtstelling
7.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
7.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor de ondertoezichtstelling. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Zij zijn gestagneerd in hun ontwikkeling. Er is onvoldoende sprake van emotionele veiligheid bij de ouders en zij kunnen onvoldoende sturing en nabijheid geven aan de kinderen. Er is al jarenlang sprake van echtscheidingsproblematiek die gepaard gaat met verbaal en fysiek geweld. Vooral tussen de moeder en de kinderen en de kinderen onderling is sprake van geweld. Bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is er sprake van schoolverzuim. De vader en de moeder zijn op dit moment onvoldoende in staat om de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Het lukt de vader en de moeder niet om afstemming met elkaar te vinden over wat er nodig is. De kinderen ervaren daardoor ruimte om de ouders tegen elkaar op te zetten. De verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] binnen een voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.
7.3.
De kinderrechter vindt het positief dat het contact tussen de moeder en de vader goed verloopt sinds de crisisplaatsing van [minderjarige 1] . Dat is heel belangrijk voor de kinderen. Ook is het positief dat de moeder en de vader zich kunnen vinden in de doelen zoals deze zijn besproken op de zitting.
7.4.
De doelen waarin tijdens de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden, zijn:
  • De kinderen ervaren voldoende rust en veiligheid (van hun opvoeders en omgeving), wat inhoudt dat ze geen overmatige stress/spanning ervaren door de gebeurtenissen in het verleden en heden;
  • [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben vertrouwen in zichzelf en anderen, wat inhoudt dat ze succeservaringen opdoen op school, vrije tijd (met volwassenen en leeftijdsgenoten);
  • De kinderen kunnen contacten met leeftijdsgenoten positief aangaan en vasthouden, waarin zij probleemsituaties met leeftijdsgenoten kunnen oplossen;
  • De kinderen kunnen zich op school voldoende ontwikkelen, zowel t.a.v. schoolse taken als omgang met leeftijdsgenoten;
  • [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] staan in contact met eigen emoties/behoeften (weten wat hun emoties en behoeften zijn) kunnen op passende wijze hun emoties en behoeften uiten. Dit houdt in dat ze allereerst weten hoe en waarom ze zich boos, verdrietig, angstig of blij voelen en wat ze kunnen doen als emoties hoog oplopen (hen overspoelen);
  • [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben duidelijkheid over waar zij kunnen opgroeien en welke rol ouders daarin vervullen;
  • De thuissituatie vormt een veilige basis, waar geen sprake is van politiecontacten en/of overmatige spanningen;
  • De kinderen ervaren geen verbaal en fysiek geweld onderling en met de ouders en ook tussen de ouders onderling is geen sprake van verbaal of fysiek geweld.
Uithuisplaatsing
7.5.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.6.
Nu de Raad het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] heeft ingetrokken is het belang bij een verdere behandeling van dat verzoek komen te vervallen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
7.7.
De kinderrechter zal de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
stelt [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 5 februari 2026 tot 5 februari 2027;
8.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
8.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing mondeling is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 16 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.