ECLI:NL:RBZWB:2026:1494

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
7 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443998 / FA RK 26-232
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Snoeks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wegens dementie en risico op ernstig nadeel

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene, geboren in 1946, vanwege een progressieve dementie met ernstige gedragsproblemen. Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden betrokkene, zijn echtgenote, twee zoons en een casemanager dementie gehoord, waarbij ook een tolk werd ingezet.

Betrokkene vertoonde wisselend gedrag door chronische achterdocht en agressie, vooral richting zijn echtgenote, die als mantelzorger overbelast raakte. Ondanks medicatie en dagbesteding verslechterde zijn toestand, met toenemende afhankelijkheid en gevaar voor zijn omgeving. De zoons konden door afstand en afwijzing onvoldoende ondersteuning bieden.

De advocaat van betrokkene gaf aan dat betrokkene niet in een zorgaccommodatie wil worden opgenomen, maar erkende dat aan de wettelijke vereisten voor machtiging was voldaan. De rechtbank oordeelde dat betrokkene lijdt aan dementie met ischemische cerebrale schade en dat zijn gedrag leidt tot ernstig nadeel, waaronder lichamelijk letsel en maatschappelijke teloorgang.

De opname en verblijf zijn noodzakelijk en er zijn geen minder bezwarende alternatieven. De rechtbank verleende daarom de machtiging voor zes maanden, ondanks het verzet van betrokkene. De beschikking is op 4 februari 2026 mondeling gegeven en op 17 februari 2026 schriftelijk vastgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene wegens dementie en ernstig risico op nadeel voor een periode van zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443998 / FA RK 26-232
Datum uitspraak: 4 februari 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1946 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
wonende in [woonplaats] , [adres] ,
advocaat mr. R.T.A.G. Keller te Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 14 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • mevrouw [persoon 1] , casemanager dementie;
  • de echtgenote van betrokkene;
  • de oudste en jongste zoon van betrokkene.
Tevens is gebruikgemaakt van de diensten van mevrouw [persoon 2] , tolk in de Bosnische taal.

2.Het verzoek

Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.

3.De standpunten

3.1.
Betrokkene antwoordt op de vraag van de behandelend rechter hoe hij het zou vinden wanneer hij in een zorgaccommodatie wordt opgenomen met “ik weet het niet”. Verderop tijdens de mondelinge behandeling merkt hij op “het zou beter zijn als mijn echtgenote en ik bij elkaar konden blijven”.
3.2.
De casemanager dementie brengt naar voren dat bij betrokkene in 2023 de diagnose dementie is gesteld. Betrokkene kampt met chronische achterdocht en kent daardoor afwisselend rustige maar ook boze momenten, met name richting zijn echtgenote. Met de inzet van medicatie is de achterdocht gedurende langere tijd op de achtergrond geraakt. Daardoor kon er met behulp van dagbesteding gedurende vier dagen per week een situatie worden gecreëerd, waarin de echtgenote van betrokkene werd ontlast en betrokkene thuis kon blijven wonen. Echter is inmiddels gebleken dat, ondanks de maximaal ingezette medicatie, er opnieuw sprake is van toenemende achterdocht en boosheid bij betrokkene en daarnaast toenemende afhankelijkheid van zorg en toezicht, waardoor de dagbesteding hem niet meer kan bieden wat hij nodig heeft. Daarnaast is er wegens de toenemende boosheid bij betrokkene naar zijn echtgenote gevaar ontstaan voor haar veiligheid, terwijl zij al voor betrokkene als mantelzorger fungeert en zij daardoor overbelast is geraakt. De zoons zijn ook betrokken, maar gelet op de grote woon/reisafstand kunnen zij hierin geen of althans onvoldoende ondersteuning en toezicht bieden. Daarbij komt dat betrokkene bij momenten zijn zoons niet herkent en hij hen dan de deur wijst. Met deze toelichting kan zij achter het verlenen van een machtiging tot opname en verblijf staan voor de aldus verzochte periode.
3.3.
De echtgenote van betrokkene merkt op dat dit voor haar een erg lastige situatie is. Indien er een machtiging wordt verleend en haar man in een zorgaccommodatie wordt opgenomen zal zij hem dagelijks bezoeken.
3.4.
De jongste zoon van betrokkene merkt op dat gedurende langere tijd is geprobeerd om een zorgopname van zijn vader te voorkomen. Nu is helaas het moment daar dat de situatie dermate onhoudbaar is geworden dat hij geen andere optie meer ziet. Hij hoopt, indien het verzoek wordt toegewezen, dat zijn ouders samen nog langere tijd samen met elkaar kunnen doorbrengen. De oudste zoon sluit zich daarbij aan.
3.5.
De advocaat van betrokkene voert aan dat hij uit de reacties van zijn cliënt op de door de behandelend rechter aan hem gestelde vragen afleidt dat hij niet in een zorgaccommodatie wil worden opgenomen. Namens betrokkene stelt hij zich daarom primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. Indien de rechtbank anders mocht oordelen wenst hij zich - bij wijze van subsidiair standpunt - ten aanzien van het voorliggend verzoek te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Daarop licht hij toe dat hem uit de stukken voldoende is gebleken dat aan de wettelijke vereisten voor een rechterlijke machtiging is voldaan. Ook betrekt hij daarbij dat er bij zijn cliënt van een progressief ziektebeeld sprake is, dat er ondanks alle tot dusver ingezette (ambulante) zorg en ondersteuning een onhoudbare situatie is ontstaan en er geen andere opties resteren dan een zorgopname.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging tot opname en verblijf. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.2.
Uit de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening samen met een psychische stoornis, te weten dementie waarschijnlijk Alzheimer met ischemische/vascu-laire cerebrale schade.
4.3.
Ook blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat ten aanzien van betrokkene sprake is van gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening en stoornis dat leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat betrokkene kampt met chronische achterdocht, waardoor hij naast rustige periodes ook momenten kent, waarop er sprake is van boosheid en agressie naar zijn echtgenote. De veiligheid van de echtgenote van betrokkene, die voor hem als mantelzorger fungeert en daardoor al overbelast was geraakt, loopt op die momenten gevaar. Betrokkene herkent ook bij momenten zijn zoons niet als zodanig, aan wie hij vervolgens duidelijk maakt dat zij niet welkom zijn.
4.4.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Uit de reacties van betrokkene tijdens de mondelinge behandeling valt naar het oordeel van de rechtbank op te maken dat hij geen zorgopname wil. Daarom dient ervan te worden uitgegaan dat hij zich tegen het verzoek verzet.
4.5.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
4.6.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank een machtiging tot opname en verblijf verlenen voor een periode van zes maanden.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor:
[betrokkene] ,geboren op [geboortedag] 1946 in [geboorteplaats] ;
5.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 4 augustus 2026.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 door mr. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 17 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.