Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- mevrouw [persoon 1] , casemanager dementie;
- de echtgenote van betrokkene;
- de oudste en jongste zoon van betrokkene.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene, geboren in 1946, vanwege een progressieve dementie met ernstige gedragsproblemen. Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden betrokkene, zijn echtgenote, twee zoons en een casemanager dementie gehoord, waarbij ook een tolk werd ingezet.
Betrokkene vertoonde wisselend gedrag door chronische achterdocht en agressie, vooral richting zijn echtgenote, die als mantelzorger overbelast raakte. Ondanks medicatie en dagbesteding verslechterde zijn toestand, met toenemende afhankelijkheid en gevaar voor zijn omgeving. De zoons konden door afstand en afwijzing onvoldoende ondersteuning bieden.
De advocaat van betrokkene gaf aan dat betrokkene niet in een zorgaccommodatie wil worden opgenomen, maar erkende dat aan de wettelijke vereisten voor machtiging was voldaan. De rechtbank oordeelde dat betrokkene lijdt aan dementie met ischemische cerebrale schade en dat zijn gedrag leidt tot ernstig nadeel, waaronder lichamelijk letsel en maatschappelijke teloorgang.
De opname en verblijf zijn noodzakelijk en er zijn geen minder bezwarende alternatieven. De rechtbank verleende daarom de machtiging voor zes maanden, ondanks het verzet van betrokkene. De beschikking is op 4 februari 2026 mondeling gegeven en op 17 februari 2026 schriftelijk vastgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene wegens dementie en ernstig risico op nadeel voor een periode van zes maanden.